close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018

Uittocht en verovering

 

Vroege datering van de Exodus  

2007-12-moses De datering van de Exodus is geen zaak om dogmatisch over te zijn. Grote geleerden en vrome christenen hebben hierover van mening verschild. Het gaat om een historisch oordeel in een situatie waarin gegevens schaars zijn (m.u.v. de steden Pithom en Raämses in Ex 1:11 ontbreken Egyptische eigennamen). Met deze kanttekening kiezen wij hier voor een vroege datering.

1 Koningen 6:1 plaatst de uittocht 480 jaar voor de bouw van de tempel in het vierde jaar van Salomo's regering (966) - dus in 1445/6 voor Christus. In Richteren 11:26 wijst Jefta via zijn afgezanten de aanspraak van de Ammonieten op het Overjordaanse af met het argument dat zo'n claim rijkelijk laat is: Israël woont al 300 jaar in deze streek. De tijd van de Richteren eindigt ca. 1050 met de zalving van Saul tot koning over de twaalf stammen. Ook deze tekst plaatst de intocht dus rond 1400 en de uittocht derhalve omstreeks 1440 voor Christus.

 

De vroege datering van de Exodus, gecombineerd met de oude Egyptische chronologie, ziet de strijdlustige Thutmoses III als de farao van de onderdrukking. Hij regeert 40 jaar terwijl Mozes in Midian is. Na zijn dood keert Mozes terug. Amenhotep II is dan de farao van de uittocht. Hij leeft daarna nog 22 jaar, maar heeft blijkens nagelaten inscripties geruime tijd geen militaire expedities meer ondernomen. Thutmoses IV was mogelijk niet de oudste zoon van Amenhotep II. Zijn ‘droomstèle’ vermeldt hoe de grote sfinx hem de troon belooft, als de prins hem opnieuw vrijmaakt van het woestijnzand. Amenhotep III besteedt weinig aandacht aan zijn buitenlandse gebieden. Tijdens zijn regeringsperiode zou Jozua grote delen van Kanaän hebben kunnen veroveren. Amenhotep IV (Echnaton) besteedt weinig aandacht aan de buitenlandse politiek. In de Amarna-brieven van deze 'ketter-koning' is herhaaldelijk sprake van de ‘Habiru’ die de landen van de koning in Kanaän bedreigen. Kennelijk laat de farao deze brandbrieven van zijn vazallen onbeantwoord, gefixeerd als hij is op zijn godsdienstige revolutie: het invoeren van de monotheïstische Aton-verering.


Vroege datering en herziene chronologie

Dit onderdeel is nog in opbouw (voorzien december 2010).

Under20Construction202

 

Late datering  

Ramses_II De late datering plaatst de Exodus rond 1260 ten tijde van Ramses II. Exodus 1:11 noemt Raämses als een van de voorraadsteden die met Hebreeuwse dwangarbeid gebouwd wordt. De naam van de stad suggereert een verbinding met Ramses. Van hem is bekend dat hij grote bouwprojecten uitvoerde in de delta en daarbij vele 'Habiru' inschakelde. Zijn nieuwe hoofdstad was dicht bij de delta en de streek Gosen.

Het getal van 480 jaar uit 1 Kon 6:1 kan in deze visie symbolisch genomen worden: 12 generaties van elk 40 jaar (Ps 95:10). In werkelijkheid duurt een generatie eerder ongeveer 25 jaar en komen 12 generaties dus uit op zo'n 300 jaar. Terug rekenend vanaf het begin van de tempelbouw (966), komt men dan uit op ca. 1266 voor Christus.  

Archeologische aanwijzingen suggereren de mogelijkheid dat Edom en Moab pas in de 13e eeuw opkwamen als sterke koninkrijken waar de Israëlieten liever omheen trokken. Tenslotte zijn er archeologische sporen dat veel Kanaänitische steden kort voor 1200 werden geplunderd en verbrand. Sommige werden nadien nooit meer bewoond, andere geleidelijk bezet door een veel eenvoudiger cultuur. Maar volgens het boek Jozua zijn alleen Jericho, Ai en Hazor verbrand. De brandsporen kunnen binnen de vroege datering verklaard worden uit invallen van Filistijnen of Ammonieten.


Vier belangrijke argumenten voor een late datering - en tegenwerpingen  

De verbinding van de stad Raamses (Pi-Ramesse) in Ex 1:11 met de naam van Ramses II (1304-1237/1279-1213). Er zijn in Pi-Ramesse echter ook sporen gevonden van bouwwerken uit de tijd van Thutmoses III; de naam Raamses kan een anachronisme zijn n.a.v. de latere bloei van de stad onder Ramses II.

De klaarblijkelijke afwezigheid van een agrarische beschaving, steden of fortificaties in Transjordanië gedurende de 14e eeuw (Nelson Glueck). Er kunnen dus geen sterke Edomitische, Moabitische of Ammonitische koninkrijken zijn geweest die Israëls opmars in de weg stonden. Latere opgravingen hebben deze leemte in onze kennis opgevuld (Franken, Bimson, Yamauchi).  

Discrepanties tussen Amarna brieven en Hebreeuwse verslagen: de koning van Jeruzalem schrijft dat zijn stad wordt bedreigd; zij werd echter eerst ingenomen door David. Maar Jozua versloeg haar leger en doodde haar koning (Joz 10).  

Er werd eerder geen bewijs gevonden dat Thutmoses III (1504-1450/1479-1425) begon te bouwen in de Delta. Zulk bewijs is inmiddels echter wel aangetroffen in Heliopolis (2 obelisken) en Memphis. Hij moet daar militaire installaties hebben gehad voor zijn frequente Aziatische campagnes. Hij wordt nu ook beschouwd als degene die een begin maakte met de bouw van een bakstenen citadel en opslagplaatsen in Tell el-Dab’a, dat later Pi-Ramesse werd genoemd. Zijn zoon Amenhotep II verbleef er blijkbaar gedurende lange perioden. Volgens velen was Tell el-Dab'a het hedendaagse Qantir. Op dezelfde locatie hadden de Hyksos eerder hun hoofdstad Avaris.


Overige argumenten voor een vroege datering  

Tegen deze datering pleit ook de stele van Merneptah, die ca.1229/1207 Israël in Kanaän noemt in een opsomming van verslagen vijanden.

ThutmosesIII
Thutmoses III past in alle beschrijvingen van de farao van de onderdrukking (regering van 54 jaar, karakter). Zijn zoon Amenhotep II (1450-1425/1427-1400, van de Exodus) voerde voor zijn 7e
jaar geen oorlog. De volgende farao, Thutmoses IV (1425-1417/1400-1390), liet een ‘droomstele’ na, waarop hij aangeeft dat hij de troon erfde ook al was hij niet de oudste zoon. Koningen in Kanaän schrijven dat na zijn bewind landen verloren gingen aan de ‘apiru. Amenhotep_III

 Onder Amenhotep III (1417-1379 resp. 1390-1352) leek  er rust en stabiliteit te zijn, maar Egypte’s controle in de regio verzwakte. Er was onder zijn bewind weinig militaire activiteit in Syro-Kanaän.  

Ramses II liet bouwprojecten uitvoeren midden in ‘Gosen’. Er moeten dus Egyptenaren hebben gewoond. Volgens het boek Exodus was dat niet het geval in de dagen van Mozes.  

Garstang dateerde de verwoesting van Jericho (D/IV) op ca.1400. Opgravingen in Lachish en Bethel tonen sporen van verwoesting ca.1200. Dat is geen probleem: Jozua vertelt dat alleen Jericho, Ai en Hazor bij de verovering werden verwoest en verbrand.  

Ramses_II_at_Kadesh Dat Richteren zwijgt over militaire campagnes van Seti I en Ramses II is te verklaren. (a) Een datering van de Exodus ca. 1290 zou dit probleem oplossen, maar een nieuw scheppen met Merneptah’s stele (zie boven). Bovendien noemt Richteren ook geen latere Egyptische campagnes. Een mogelijke verklaring is dat de twee weinig contact hadden: de Israëlieten woonden in het bergland, de Egyptenaren trokken door de vlakte. (b) Garstang heeft een synchronisme uitgewerkt tussen perioden van Egyptische expansie en ‘rust’ in Richteren. Egyptische overmacht hield de agressieve Kanaänieten in bedwang. (c) De geschiedschrijving van Richteren is theologisch bepaald en selectief. Ook elders zien we dat: Achabs rol in de belangrijke slag bij Qarqar (853) wordt in het OT helemaal niet vermeld.



De route van de uittocht  

Sinaisat4txt Israël trekt bij de uittocht waarschijnlijk via de strook tussen de Bittermeren en de Golf van Suez naar de zuidpunt van de Sinaï woestijn (Etham, Ex 13:20 = Atuma, de streek ten Zuiden en Westen van het Timsa meer?). Het bergmassief daar wordt de bedoeïenen nog steeds Djebel Musa (berg van Mozes) genoemd. Vandaar trekt men noordwaarts naar Kadesh Barnea (aan de zuidgrens van de Negev). De precieze locatie van de genoemde plaatsen is onbekend, maar nadrukkelijk wordt gezegd dat "God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen leidde" (Ex 13:17). Een route langs de Noordkant van het schiereiland wordt daardoor uitgesloten.

Na de rebellie tegen Mozes en Aäron en de mislukte inval in het Zuiderland trekt het volk nog 38 jaar in de woestijn rond. De tweede generatie trekt zuidwaarts om de Dode Zee naar het Overjordaanse (Edom, Moab). De oversteek van de Jordaan wordt gemaakt ter hoogte van Jericho.  


DjebelMusasattxt Met yam suf (rietzee) wordt in deze context waarschijnlijk niet de Rode Zee bedoeld (elders wel). Immers, de Rode Zee was geen logische uitweg uit Egypte. Yam suf scheidde productief Egypte direct van de woestijn (Ex 13:20); voor de Rode Zee ligt al woestijn. Na yam suf lag de woestijn van Sur d.i. het Noorden van de Sinaï.  


De berg Sinaï is waarschijnlijk dezelfde als de Horeb. Het is Djebel Musa op de zuidpunt van het Sinaï schiereiland. Dus niet, zoals men ook wel meent: Djebel Halal ca. 40 km ten Westen van Kadesh Barnea (Ain Qudeis?).


De grote aantallen van de Exodus

Een probleem is de omvang van het volk gedurende de omzwervingen in de woestijn. De volkstellingen komen op ruim 600.000 strijdbare mannen (Ex 12:37); de totale bevolking zou dan neerkomen op ca. 2.500.000. Het overleven van zoveel mensen in de woestijn zou ook onder goddelijke voorzienigheid een buitengewoon feit zijn. Het staat ook op gespannen voet met de uitspraak in Deut 7:7 dat Israël “het kleinste van alle volken” is, of de aankondiging in Ex 23:30 dat Israël het land geleidelijk in bezit zal nemen “totdat u voldoende toegenomen bent om het land in bezit te nemen.” En dan zijn er nog de logistieke problemen: Hoe doorkruis je met zoveel mensen en vee in één nacht de Rode Zee?

De oplossing lijkt te zijn dat het Hebreeuwse ‘eleph niet alleen ‘duizend’ betekent, maar ook ‘clan, stamgroep, troep weerbare mannen’. C.J. Humphreys betoogt dat oorspronkelijk de tellingen werden gegeven in ‘troepen’ (ook elders gebruikte men eenheden van 10, 50 en 100 man). [1] Latere schrijvers begrepen deze ‘troepen’ ten onrechte als duizendtallen. Het werkelijke aantal weerbare mannen zou dan gelegen hebben rond de 5500 en het hele volk rond de 20-25.000.


[1] Aangehaald in G.A. Klingbeil, “Historical Criticism” in: Dictionary of the Old Testament: Pentateuch, eds. T. Desmond Alexander and David W. Baker (Downers Grove/Leicester: IVP, 2003), 407-10.


Overjordaanse vestiging (1406 vChr)

 

Vanuit de woestijn Sin maakt Israël maakt een omweg om de 'broedervolken' Edom (Num 20), Moab en Ammon (Deut 2). De Midianieten worden ‘en passant’ verslagen (Num 31). Verder noordwaarts volgt de militaire confrontatie met de Amoritische koningen van Gilead en Basan (Sihon en Og).

 

israel6sattxt Basan heeft een rijke vulkanische bodem, voldoende neerslag en daardoor goed grasland (de 'koeien van Basan') en graanteelt. In het Zuiden begrensd door wadi Yarmuk.

 Gilead is een kalksteengebied met bossen en weiden. In het Zuiden begrensd door wadi Jabbok.

Ammon is steppeachtig en meest geschikt voor het houden van kleinvee. De oude hoofdstad Rabba, het tegenwoordige Amman (NT Philadelphia, Decapolis), was een kruispunt van karavaan routes (weg der koningen, Num 20:17; Ob 6). In het Zuiden begrensd door wadi Arnon.

Moab's droge weidegrond leent zich voor weinig meer dan schapenteelt. Haar Zuidgrens is wadi Zered.

Edom is te droog voor akkerbouw of veeteelt. Nomadisme overheerst. Vanouds waren er kopermijnen (later ontgonnen door Salomo, Timna).

Na de vernietiging van de twee Amoritische koninkrijken vestigen Gad, Ruben en de halve stam Manasse zich in het Overjordaanse (Jozua 18:7). Zij verplichten zich wel hun hoofdmacht in de voorhoede van Israël mee te sturen voor de verovering van Kanaän.

Na het verdwijnen van de Amorieten schuiven Ammonieten en Moabieten geleidelijk noordwaarts op naar minder droge gebieden. De druk op de Overjordaanse stammen wordt steeds groter. In de volgende eeuwen blijkt het Jordaandal in de praktijk een te grote barrière voor nationale eenheid. Het Overjordaanse wordt feitelijk ‘buitenland’. Onder David en Salomo vormt het een geïntegreerd deel van het koninkrijk; na de scheuring gaat het verloren.

In de intertestamentaire periode maakt Transjordanië een periode van bloei door. Seleuciden en Ptolemeën stichten er diverse steden van (die t.t.v. de Romeinen bekend staan als de Decapolis; Moab en Gilead heten dan samen Perea). De Makkabeeën brengen de streek weer onder Joods bestuur.


Verovering van Kanaän (1406-1376)

De Kanaänieten bevonden zich vooral in de dalen en op kustvlakten. In de heuvels bezaten zij enkele versterkte steden. In cultureel opzicht hadden zij een voorsprong op de Israëlieten (meer ontwikkelde materiële cultuur, betere bewapening).

De marginale natuurlijke omstandigheden (droogte, geen grote rivieren) hadden geleid tot de opkomst van een vruchtbaarheidscultus met bijbehorende tempelprostitutie en kinderoffers. Een dergelijke cultus drukt een stempel op de moraal van de hele samenleving, die in de Pentateuch wordt beschreven als rijp voor oordeel (Gen 15:16; Lev 18:24-25; Deut 9:4; 20:17-18). Des te triester is het dat bijv. Richteren 19 duidelijk maakt dat Israël al snel afgleed naar dezelfde immoraliteit. Het verhaal trekt een overduidelijke parallel met de ervaringen van Lot in Sodom. De boodschap is duidelijk: als Israël zo verder gaat, verliest het zijn juist gewonnen land net zoals de Kanaänieten.

Jozua verovert het bergland in ca. 6 jaar (Jozua 14:7-10). Vanuit zijn basis Gilgal bij Jericho voert hij drie 'verdeel en heers' campagnes:

Centrale campagne: Jericho, Bethel, Ai (nog niet geïdentificeerd)

Zuidelijke campagne:Gibea, Sefela (heuvelland), Negev

Noordelijke campagne:Hazor en bondgenoten

Na de verovering wordt het land verdeeld door het lot. Bij Sichem, tussen de bergen Ebal en Gerizim, spreekt Jozua nog eenmaal het volk toe en roept hen op tot verbondstrouw aan YHWH (Jozua 24). Silo, een natuurlijk amfitheater iets terzijde van de doorgaande weg over de bergkam, wordt in deze periode het centrale heiligdom.


De val van Jericho

 

  

 

 

cs-jerichowallsDe datering van de opgegraven resten van Jericho is nog steeds voorwerp van heftige discussie. Garstang dateerde de gevallen muren op de top van tell-es-Sultan op 1400 v Chr. Dat stemde perfect overeen met de conservatieve datering van de uittocht en verovering. Maar Dame Kenyon dateerde decennia later de gevallen muur op ca. 1600 v Chr. (op grond van het ontbreken van typerend Laat Brons aardewerk) en stelde dat die verwoest was door de Egyptenaren die de verdreven Hyksos tot in Kanaän achtervolgden.
Meer recent is de discussie heropend door Bryant Wood in Biblical Archaeology Review (mrt/apr. 1990). Hij constateerde dat Kenyon een deel van de tell had onderzocht waar armen woonden die geen duur geïmporteerd aardewerk bezaten. Sowieso was dat minder te verwachten in een afgelegen stad als Jericho. Elders op de tell trof hij dit Laat Brons aardwerk wel aan. Uit de vondst van grote graanvoorraden in de verwoeste stad constateerde hij dat die was ingenomen door anderen dan Egyptenaren. Hun typerende belegeringsmethode was een aanval kort voor de oogst, gevolgd door uithongering. De opvattingen van Wood worden in BAR bestreden door Bienkowksi. De discussie gaat door.


Meer weten?

Lees het artikel "Does the Bible sufficiently describe the conquest?", Trinity Journal, Spring 1999, by Ulrich, Dean R.
Volg hier de tientallen links rond de verovering van Kanaän.

 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)