close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
dinsdag, 11 december 2018
Geschreven door hans   
woensdag, 11 november 2009 17:36

Tijdlijnen in de Bijbelse Archeologie


Achtergrond

Archeologen hebben de antieke geschiedenis verdeeld in opeenvolgende perioden, op grond van waargenomen discontinuïteiten in het culturele archief. Die verschillen kunnen diverse oorzaken hebben. Het kan gaan om opmerkelijke regionale verschillen in de verdedigingswerken van steden, radicale veranderingen in de technologie van gereedschappen die samenlevingen in een regio gebruiken, bewijs van grootschalige verwoesting rond een bepaald tijdstip, duidelijke veranderingen in de welvaart van een samenleving, enz. Je kunt zulke dramatische verschuivingen aanwijzen zonder er meteen precieze data aan te koppelen. Bijbelse archeologen hebben echter ook geprobeerd om algemene tijdperken toe te wijzen aan deze culturele perioden. Naarmate hun kennis van antieke culturen toenam, hebben ze die onderverdeeld in steeds kleinere deeltijdperken.

De bijbelse archeologie werd pas echt een wetenschap toen Sir Flinders Petrie in 1890 de opgraving van een tell leidde op basis van de "stratigrafie". Hij koppelde de datering van artefacten aan de lagen waarin ze waren aangetroffen. Later, in de periode tussen de wereldoorlogen, werden er nog twee belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van archeologie als wetenschap. William Albright ontwikkelde een methode om een datering te baseren op gevonden aardewerk. Daarnaast ging men methodisch veldonderzoek gebruiken om brede regionale verschuiving in antieke nederzettingspatronen vast te stellen.

Toen Israel in 1948 een staat werd, kwam het tot een uitbarsting van archeologische activiteit in het land met gebruikmaking van de zojuist kort beschreven technieken en methoden. Een logisch uitvloeisel daarvan was de datering van de vondsten in diverse tells, en het verzamelen van data waarop men een algemeen aanvaarde tijdlijn kon baseren.

 

Algemeen aanvaarde tijdlijn

Een deel van deze culturele tijdlijn ziet u hieronder. Hij komt grofweg overeen met die periode van de  bijbelse geschiedenis die loopt van het begin van Jakobs verblijf in in Egypte tot het einde van het koninkrijk Israel. Deze tijdlijn heeft in de beginjaren van de bijbelse archeologie algemeen aanvaarding gevonden. Dat geldt nog steeds voor de overgrote meerderheid van de hedendaagse bijbelse archeologen.

MB
IIA

MB
IIB

MB
IIC

LB

IA
I

IA
II

1900BC
tot
1750BC

1750
tot
1650

1650
tot
1550

1550
tot
1200

1200
tot
1000

1000BC
tot
586BC

De gebruikte naamgeving weerspiegelt de algemeen waargenomen culturele discontinuïteiten. Zo werd bijvoorbeeld ontdekt dat rond 1200 voor Christus een wijdverbreide verschuiving plaatsvond van het gebruik van bronzen werktuigen naar ijzeren. Zo raakten de aanduidingen Bronstijd  en IJzertijd in gebruik. De Bijbel stemt hier goed mee overeen, want het waren de Filistijnen die de IJzertijd in Kanaän introduceerden. Dat wordt bevestigd door teksten als Richt 1:19, 4:3 en 1 Samuel 17:7.

Later slaagden archeologen erin de Brons- en IJzertijd verder onder te verdelen (MB en LB voor Midden- en Laat Brons; IA I en II voor Iron Age). Zo werd bijvoorbeeld nog een discontinuïteit aangetroffen in de versterking van de steden in Kanaän tussen Midden Brons en Laat Brons. In het Midden Brons waren Kanaänitische steden meestal versterkt met hoge en zware muren die een directe bestorming ontmoedigden. In het Laat Brons echter waren de meeste steden echter kleiner en niet ommuurd.

Er is nog een derde belangrijke culturele discontinuïteit aan het licht gekomen. Rond 1200 voor Christus is een algemene achteruitgang van de welvaart waar te nemen onder de volkeren van het Midden Oosten.


Vooronderstellingen

Het is duidelijk dat deze culturele discontinuïteiten voortkwamen uit onderliggende redenen, zoals in het geval van de Filistijnen en hun gebruik van ijzer. De bijbelse archeologie heeft dus getracht andere gebeurtenissen hiermee in verband te brengen. Zo werd het mogelijk een scenario voor te stellen voor de Israelitische intocht en vestiging in het land. Hier volgen enkele van de tijdgerelateerde veronderstellingen die de gangbare tijdlijn ondersteunen.

  • Algemeen wordt aangenomen dat de volgende verzen uit het boek Exodus de Hebreeën in Egypte plaatsen ten tijde van farao Ramses II.

Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’ Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen. Ex 1:8-11

Nu is uit de Egyptische archeologie bekend dat Ramses II over Egypte heerste van 1290-1224 voor Christus. Dus deze tekst heeft er samen met enkele andere (buitenbijbelse) voor gezorgd dat veel archeologen geloven dat het verblijf van 430 jaar van Israel in Egypte niet geëindigd kan zijn voor de 13e eeuw, rond 1230-1220 voor Christus.  Zo'n buitenbijbelse tekst is de opmerking van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus dat de Hyksos over Egypte heersten (vanaf 1750 BC?) toen Jakobs stam daar binnentrok. Deze gedachte is zo diep geworteld dat hij terugkomt in allerlei verfilmingen van de uittocht, van "The Ten Commandments" met Charlton Heston als Mozes (en Yul Brynner als Ramses) tot "The Prince of Egypt".

De hele gedachte dat Ramses farao was ten tijde van de Exodus is echter overtuigend afgewezen door de Egyptoloog prof. Hans Goedicke in onderstaand artikel:

Citaat uit het artikel van Hans Goedicke in Biblical Archaeology Review, september/oktober 1981.

"The store city of Ra'amezez is widely, but incorrectly, equated with Pi-Ramesses, the Residence of the Ramessides. The construction described in the Bible is generally associated, again incorrectly, with the building of the Residence, which occurred in the reign of Ramesses II who ruled from 1290 BC to 1224 BC. The The Residence of Ramessides was not a single building."

"If Pi-Ramesses was built by the Exodus people, it is obvious that the Exodus must have occurred in the 13th century BC."

"But the fact is that the store city of Ra'amezez cannot be identified with Pi-Ramesses, the Residence of the Ramessides. This identification is impossible phonetically, as has been demonstrated conclusively more than 15 years ago. Moreover, the Residence of the Ramessides is never denoted in Egyptian sources by the use of the royal name Ramesses alone. When the Residence of the Ramessides is referred to, the royal name is always connected with the Egyptian word pr, meaning house or residence: The reference is always in the form 'Per Ramesses'."

  • Men nam ook algemeen aan dat Israel niet voor de 13e eeuw uit Egypte trok, omdat de steden die volgens Num 33 in het Overjordaanse lagen toen de Israëlieten daar doortrokken, klaarblijkelijk niet eerder bestonden.

    Deze opvatting kwam uit de archeologie van het Overjordaanse (Transjordanië), hoofdzakelijk in de jaren 1930. De joods-Amerikaanse archeoloog Nelson Glueck (die wel model lijkt te hebben gestaan voor Indiana Jones) paste op grote schaal het eerder genoemde veldonderzoek toe, maar vond geen sporen van nederzettingen in Transjordanië tussen de 19e en 13e eeuw voor Christus. Derhalve concludeerde hij dat de Israëlieten hun Exodus niet in die periode volbracht konden hebben. De ingenomen steden in Num 33 bestonden immers nog niet.

  • Deze opvatting kwam uit de archeologie van het Overjordaanse (Transjordanië), hoofdzakelijk in de jaren 1930. De joods-Amerikaanse archeoloog Nelson Glueck (die wel model lijkt te hebben gestaan voor Indiana Jones) paste op grote schaal het eerder genoemde veldonderzoek toe, maar vond geen sporen van nederzettingen in Transjordanië tussen de 19e en 13e eeuw voor Christus. Derhalve concludeerde hij dat de Israëlieten hun Exodus niet in die periode volbracht konden hebben. De ingenomen steden in Num 33 bestonden immers nog niet.

  • Maar de archeologie is een wetenschap in ontwikkeling, en een artikel in Biblical Archaeology Review van september/oktober 1994 beschrijft antieke Egyptische kaarten die enkele jaren geleden ontdekt werden. Deze sommen juist die steden op in de periode van farao Thutmoses III, die zijn regering begon in 1504 BC. De conservatieve bijbelse chronologie dateert de Exodus in 1446/1445 BC en komt uit bij Thutmoses III als de farao van de uittocht. Dit archeologisch bewijsstuk stemt nu overeen met de Bijbel en toont aan dat de conclusies van Glueck rond 1930 onjuist waren.

  • Op grond van deze aannamen (waarvan de onjuistheid nu is aangetoond), beperkt bewijs, en de observatie dat de boeken Jozua noch Richters melding maken van Egyptische militaire strooptochten in Kanaän in de Bronstijd (waarvan uit andere bron bekend was dat ze plaatsvonden), hebben veel archeologen Israëls intocht in het land verbonden met het begin van de IJzertijd (1200 BC). Als gevolg daarvan zijn de talrijke Israëlitische vondsten in het land geclassificeerd onder dat tijdperk. Zo is in de loop der tijd deze weergave bijna een zichzelf vervullend bewijsstuk geworden dat Israëls intocht in het beloofde land tegelijk de oorzaak was van de waargenomen culturele neergang op de overgang van Brons naar IJzer.


Problemen met de gangbare tijdlijn

Laten we een moment nadenken over wat deze gangbare tijdlijn betekent voor de mogelijkheid om de bijbelse archeologie te gebruiken als bijdrage tot een beter begrip van de bijbel. Wat zijn de consequenties van het aanvaarden van de gangbare tijdlijn?

  • Als eerste wordt duidelijk dat Israëls intocht in het beloofde land niet kan zijn verlopen zoals het boek Jozua het beschrijft, omdat de steden die vielen niet eens ommuurd waren aan het begin van de IJzertijd.
    Dit is precies de conclusie van de meeste archeologen, waardoor ze genoodzaakt zijn allerlei alternatieve scenario's te construeren.

  • Het zou ook beteken dat het interval tussen de intocht van de Israëlieten en het begin van hun koninkrijk niet groter dan 144-134 jaren kan zijn, als tenminste andere tijdsaanduidingen in de Bijbel wel kloppen. Het chronologische werk van Edwin Thiele stelt 931/930 voor Christus als het beginpunt van het verdeelde koninkrijk, en besomt de perioden van de woestijnreis en de regeringen van Saul, David en Salomo op 156 jaren:

    (1230 tot 1220) - 156 - (144 tot 134) = 931/930 BC

    Natuurlijk zou dit betekenen dat de genoemde tijden in het boek van de Rechter, die elders ineengeschoven zijn tot een totaal van 299 jaren, onmogelijk juist kunnen zijn. Bovendien zou deze tijdlijn direct in strijd zijn met een uitspraak die Richt 11:26 toeschrijft aan de rechter Jefta, dat er al 300 jaar verstreken waren sinds de dagen van Mozes. De tijdlijn botst ook met 1 Kon 6:1 dat een verloop van 480 jaar stelt tussen de Exodus en het vierde jaar van Salomon. Het conflict loopt door in het Nieuwe Testament, waar Paulus in Hand 13:19-20 ondubbelzinnig stelt dat er ongeveer 450 jaar verstreken zijn tussen de Exodus en de stichting van Davids koninkrijk. Onderling harmoniëren deze drie bijbelse uitspraken, maar zij worden alle afgewezen omdat ze in strijd zijn met de gangbare tijdlijn.

Aanvaarding van de gangbare tijdlijn levert dus een onoplosbaar conflict op, en plaatst de bijbelse archeologie tegenover een groot deel van het Oude Testament, alsook tegenover veel profetische uitspraken over het einde van de tijd.

WAT MOETEN WE DOEN MET DE IMPASSE WAARIN DE BIJBELSE ARCHEOLOGIE TERECHT IS GEKOMEN?

Wie een hoge opvatting heeft van Bijbel en inspiratie, ziet zich genoodzaakt de zaak grondig te onderzoeken en tot een logische oplossing te komen. Omgekeerd zal wie een lage dunk heeft van Schrift en inspiratie, de Bijbel snel terzijde schuiven als irrelevant voor zowel antieke geschiedenis als profetische toekomst, en zijn eigen scenario's beginnen te schrijven.

De tweede benadering is helaas de typerende respons geweest van veel archeologen. Hierdoor loopt de bijbelse archeologie heden ten dage het gevaar een zandbak te worden voor ongefundeerde theorieën en een bron van verwarring voor leken die er hun licht proberen op te steken.


Een herziene tijdlijn

Enkele archeologen trachten het tij te keren. In een poging daartoe publiceerden John Bimson and David Livingston een artikel onder de titel  "Redating the Exodus".  Het verscheen oorspronkelijk in 1981 en later nogmaals in Biblical Archaeology Review, september/oktober 1987. Zij kozen een datering van de Exodus die overeenstemt het tijdstip dat de Bijbel noemt. Als tweede stap brachten zij aanpassingen in de gangbare tijdlijn aan om die meer in overeenstemming te brengen met het bewijs vanuit de archeologie zelf, uit andere disciplines, en de Bijbel. De traditionele en herziene tijdlijn worden hieronder vergeleken.

GANGBARE TIJDLIJN

MB
IIA

MB
IIB

MB
IIC

LB

IA
I

IA
II

1900BC
tot
1750BC

1750
tot
1650

1650
tot
1550

1550
tot
1200

1200
tot
1000

1000BC
tot
586BC

HERZIENE TIJDLIJN

MB IIA

MB
IIB

MB
IIC

LB

IA
I

IA
II

1900BC
tot
1650BC

1650
tot
1570

1570
tot
1420

1420
tot
1200

1200
tot
1000

1000BC
tot
586BC

U ziet dat alle veranderingen in de herziene tijdlijn voorkomen in het Midden en Laat Brons. De data voor de IJzertijd blijven ongewijzigd. Het belangrijkste is dat de overgang van Midden naar Laat Brons naar een later tijdstip is verschoven (ca. 1420 BC). Daardoor valt het ruwweg samen met de bijbelse datering van de intocht (1406/05 BC) onder leiding van Jozua. De archeologie toont wijdverbreide verwoesting van steden in Kanaän aan het eind van Midden Brons IIC. De Bijbel spreekt van een militaire verovering door Israel onder aanvoering van Jozua. Dus deze enkele verschuiving brengt de herziene tijdlijn in globale overeenstemming met zowel de Bijbel als het archeologische bewijs.

Natuurlijk ging zo'n verschuiving in de tijdlijn niet zonder slag of stoot. De publicatie van de herziene tijdlijn leidde tot een tegenartikel door Baruch Halpern in het volgende nummer, en een heel spectrum aan andere reacties van bijval en lof aan de ene kant tot ridiculisering aan de andere kant. De kleine aardbeving door het artikel in Biblical Archaeology Review trilde na tot de zomer van 1988 toen BAR Bimson toestond Halperns felle artikel punt voor punt te weerleggen.

Natuurlijk vergt zo'n voorgestelde revisie in een denkmodel dat decennialang gangbaar is geweest drastische veranderingen in het denken over wanneer en waar wie wat aandeed. Zo houdt de bijbelse archeologie tegenwoordig de Egyptenaren verantwoordelijk voor de verwoesting van Kanaänitische steden aan het eind van het Midden Brons IIC, ook al ontbreekt daarvoor hard bewijs. De herziening legt in plaats daarvan de verantwoordelijkheid bij Israel. De salvo's die binnen de bijbelse archeologie over en weer zijn afgevuurd, hebben duidelijk gemaakt dat Bimson zijn huiswerk had gedaan en dat de herziene tijdlijn overtuigend verdedigd kon worden tegen zijn felste critici.

Er blijven vragen die nog beantwoord moeten worden, maar het model is niet in diskrediet gebracht. Er is nu een strategisch model voor de bijbelse archeologie dat het in potentie mogelijk maakt haar in alle belangrijke opzichten met de Bijbel te verzoenen.

Laatst aangepast op maandag, 01 november 2010 14:11
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)