close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
zondag, 27 september 2020
Afdrukken
vrijdag, 13 november 2009 11:58
Inhoudsopgave
Kerkvaders
Anteniceense tijdperk
Brief van Plinius aan Trajanus
Apologeten
Postniceense tijdperk
Alle pagina's

Brief van stadhouder Plinius aan keizer Trajanus.

"Ik heb de gewoonte, Heer, mij tot U te wenden met alle zaken, waarover ik in twijfel verkeer. Wie immers kan beter dan Gij bij mijn aarzeling mij leiding geven of mijn onwetendheid onderrichten?

Bij processen tegen Christenen ben ik nooit geweest: daarom weet ik niet wat men gewoonlijk daarbij bestraft of onderzoekt en hoever men daarbij gaat. Zo zat ik in ongewone moeilijkheden: moet er enig verschil gemaakt worden naar leeftijd; moeten soms de nog zo jeugdigen niets afwijken van de sterkeren? Moet er vergiffenis geschonken worden aan het berouw of moet hij, die werkelijk Christen is geweest, geen nut ervan hebben dat hij opgehouden heeft het te zijn? Moet de naam zelf, als hij vrij is van schanddaden, straf meebrengen of geldt dat van schanddaden, die onafscheidbaar zijn van de naam?

Voorlopig heb ik deze gedragslijn gevolgd met hen, die als Christen bij mij werden aangebracht. Ik heb aan hen de vraag gesteld, of zij Christenen waren. Hun die bekenden, heb ik ten tweeden en ten derden male de vraag gesteld en hen daarbij met de doodstraf bedreigd. Wie bleven volharden heb ik laten terechtstellen. Immers, ik was hier zeker van, dat, wat het ook wezen mocht dat zij beleden, toch voorzeker hun hardnekkigheid en onbuigzame koppigheid behoorden te worden bestraft. Er waren anderen, even waanzinnig, die ik, omdat zij Romeinen waren, aangetekend heb om naar Rome opgezonden te worden. Weldra zoals dat pleegt te gebeuren tengevolge van het feit, dat een zaak aan de orde is, breidde de aanklacht zich uit en deden zich verscheidene bijzondere gevallen voor. Een anoniem geschrift is mij voorgelegd, dat vele namen bevatte. Hen die ontkenden, dat zij Christenen waren of geweest waren, als zij na mij de goden hadden aangeroepen en voor Uw beeld - dat ik om deze reden met de godenbeelden had laten aanbrengen - met wierook en wijn gebeden hadden verricht en bovendien Christus hadden gevloekt (dingen waartoe, naar men zegt, zij die inderdaad Christenen waren niet te brengen zijn) heb ik vrijgelaten. Anderen bekenden maar kwamen daar weldra van terug. Zij zeiden, dat zij het wel geweest waren, maar dat zij ermee opgehouden waren, sommigen drie jaar geleden, sommigen al vele jaren, menigeen zelfs meer dan twintig jaar geleden. Allen hebben zowel aan Uw beeld als aan de godenbeelden eer bewezen en Christus gevloekt. Zij verzekerden dan, dat hun hele dwaling als volgt was geweest, dat zij gewoon waren op een vaststaande dag voor zonsopgang samen te komen en in beurtzang een hymne op Christus, als op een god, te reciteren en zich door een heilige handeling te verplichten, niet tot enig misdrijf, maar om geen diefstal, roof of ontucht te begaan, geen woordbreuk te plegen, geen opvordering van toevertrouwd goed te verloochenen. Daarna was het hun gewoonte  uiteen te gaan en later weer samen te komen om spijs te gebruiken, maar heel gewoon en onschuldig voedsel. En daarmee waren zij opgehouden na mijn edict, waarbij ik volgens Uw instructies verboden had, dat er 'broederschappen' zouden zijn. Om dit alles heb ik het min of meer noodzakelijk geacht om wat er waar van was ook door pijniging te onderzoeken uit twee dienstboden, die diaconessen genoemd werden. Ik heb niets anders gevonden dan een ordinair, teugelloos bijgeloof. Derhalve heb ik de instructie uitgesteld en besloten U te raadplegen. Want de zaak schijnt mij raadpleging te verdienen, vooral om het getal van hen, die er gevaar bij lopen. Want velen van allerlei leeftijd, stand en zelfs van beide seksen worden aangeklaagd en zullen dat worden.

De besmetting van dat bijgeloof heeft zich niet alleen tot de steden, maar ook in de dorpen en op het platteland verbreid, doch zij schijnt tot stilstand en tot herstel gebracht te kunnen worden. In elk geval staat het al in voldoende mate vast, dat de tempels, die reeds bijna verlaten stonden, de eredienst zijn gaan hervatten en dat de plechtigheden, die lang hadden stilgelegen, weer beginnen bezocht te worden, en dat men het vlees der offerdieren te koop heeft, waarvoor kopers maar uiterst zelden te vinden waren geweest. En uit dat alles is gemakkelijk op te maken, welk een menigte van mensen op het goede pad kan worden gebracht, als er ruimte wordt gemaakt voor berouw."

Geschreven omstreeks 111 na Christus, waarschijnlijk vanuit Amisus  (Samsoen) in Pontus.

(Naar: Het oudste christendom en de antieke cultuur II. red. Waszink, van Unnik en De Beus. Haarlem 1951)

 

  



Laatst aangepast op woensdag, 03 november 2010 12:42
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)