close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
dinsdag, 11 december 2018
vrijdag, 13 november 2009 13:06

Achab en de slag bij Qarqar


De strijdende partijen

Aan het begin van de 9e eeuw voor Christus had Assyrië zich hersteld van een periode van verval sinds het Middenrijk. Het zocht opnieuw naar kansen om zich uit te breiden voorbij zijn natuurlijke grenzen. In het Zuidwesten lokte Kanaän, het gebied dat de enige landbrug vormt tussen Eurazië en Afrika. Verovering van dat gebied zou de Assyriërs de controle geven over de lucratieve handelsroutes tussen de twee continenten. Het leek er ook rijp voor: Syriërs, Feniciërs en Israëlieten betwistten elkaar voortdurend en onbeslist de macht.

De Assyrische dreiging was voor hen echter genoeg om zich over hun stammenstrijd heen te zetten. In 853 vChr stak Salmaneser III de Eufraat over aan het hoofd van een groot leger. Onderweg gave verscheidene steden, inclusief Aleppo, zich over en betaalden schatting. Maar Iruleni, koning van Hamath, besloot te vechten. Hij werd verslagen en als vergelding plunderde Salmaneser zowel het paleis als de steden in Iruleni's koninkrijk. De kleine westelijke koninkrijken wachtten niet af tot ze één voor één het onderspit zouden delven. Ze vormden een geallieerde legermacht van 60.000 man en trokken de Assyriërs tegemoet. Na de plundering van Qarqar kwamen de legers tegenover elkaar te staan bij de Orontes.


 

De slag

Kurkh_stele_slag_bij_QarqarDe Bijbel noemt noch Salmanesers opmars, noch de slag bij Qarqar. Details omtrent de strijd komen van een Assyrische stele die de daden van de grote koning verheerlijkt.

In het eponymen jaar van Dan-Asher, in de maand Aru, op de 14e dag, verliet ik de stad Ninevé; Ik stak de Tigris over........ Ik naderde de stad Qarqar. (...) Ik verwoestte, vernietigde en verbrandde Qarqar, zijn hoofdstad. (...) 1200 strijdwagens, 1200 ruiters, 20,000 soldaten van Hadadidri of Damascus; 700 strijdwagens, 700 ruiters, 10,000 soldaten van Irhulina van Hamath; 2000 strijdwagens, 10.000 soldaten van Achab, de Israëliet; 500 soldaten van het land van Kizzuwadne (Byblos) ; 1000 soldaten uit het land van Musri ; 10 strijdwagens en 10.000 soldaten van koning Irqanata; 200 soldaten van Matinu-ba'li van Arvad, 200 soldaten van koning Usannata. 30 strijdwagens en duizenden soldaten van koning Adunu-ba'li van Shianu; 1000 kameelruiters van Gindibu tvan Arabië; honderden soldaten onder Ba'asa, zoon van koning Ruhubi van de Ammonieten:  deze 12 koningen kwamen hem te hulp en trokken tegen mij ten strijde.  ...) Met de verheven macht die Ashur, de Heer, mij had gegeven, met machtige wapens waarvan Nergal, die voor mij uit gaat, mij voorzien had, streed ik tegen hen; van Qarqar tot Gilzan versloeg ik hen volkomen. 14.000 van hun manschappen doodde ik met de wapens, zoals Adad liet ik een vloed over hen heen gaan; ik slingerde hun lijken in het rond, ik vulde de vlakte met machtige troepen.

De stele claimt een Assyrische overwinning, maar waarschijnlijk eindigde de veldslag onbeslist. De opmars van de Assyriërs kwam tot stilstand en Salmaneser keerde terug naar Ninevé. Maar in later jaren slaagde hij er alsnog in het gebied te veroveren.

 

 

 

Normal 0 21 false false false NL ZH-CN X-NONE MicrosoftInternetExplorer4

Jezus en het Koninkrijk van God

De komst van het koninkrijk: de centrale boodschap van de Bijbel

En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken, en Hij zeide: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.”  Marc 1:14-15 vgl. Matt 4:23//Luc 4:43

De prediking van het koninkrijk van God is het hart van Jezus’ boodschap (o.a. Bergrede) en die van zijn discipelen (Matt 9:35; 10:7 en 24:14). Nergens legt Jezus de term uit. Kennelijk was het begrip gemeengoed in Israël.

Koninkrijk van God en Koninkrijk der hemelen

· De uitdrukking ‘het koninkrijk der hemelen’ (he basileia tōn ouranōn) komt alleen in het Evangelie van Mattheüs voor (32 keer).

· Diverse keren wordt hij gebruikt in bijna en zelfs exacte parallellen waar Marcus en Lucas ‘het koninkrijk van God’ gebruiken.[1][1]

· Op vier plaatsen gebruikt Mattheüs ook he basileia tou theou (Matt 12:28; 19:24; 21:31,43). Hiervan staat 19:24 direct na het noemen van he basileia tōn ouranōn in hetzelfde verhaal van de rijke jongeling.

· Kennelijk zijn de twee uitdrukkingen synoniem. Het ‘koninkrijk der hemelen’ is een Semitische uitdrukking die de Godsnaam vermijdt (vgl. Luc 15:18). Mattheüs gebruikt hem bijna uitsluitend vanwege de gevoeligheden van zijn Joodse lezers. Voor de overwegend heidense lezers van de andere synoptische evangeliën zou de uitdrukking onduidelijk zijn.

Gods universele koninkrijk

· Als Schepper heerst God altijd over alles en iedereen - gewillig, rebellerend of onwetend (Ps 10:16; 29:10; 145:8-13; 103:19-22; 1 Kron 29 :11,12; Dan 4 :34; Jes 6; Ezech 1; Dan 7). Maar deze wereld is niet zoals God haar hebben wil. Het lijkt vaak alsof Hij geen koning is. Ook Jezus bidt: “Laat Uw koninkrijk komen ..” (Matt 6:10, toekomst). Hetzelfde verlangen spreekt uit Dan 2:44 en Ps 96-98.

· Ook de Openbaring (o.a. 11:15-18) kijkt naar dat koninkrijk uit.

· Als Schepper is God de rechtmatige koning van heel de wereld. Hij heeft Adam aangesteld als zijn rentmeester (‘beeld en gelijkenis’).

· Door de zondeval is Adam geen ‘koning’ meer, maar slaaf (van satan/zonde). Het Hebreeuwse [v;P, betekent niet alleen ‘zonde’ maar ook ‘rebellie, opstand’. Door Adams rebellie tegen God is satan nu de vorst van deze wereld (o.a. Ef 2:1v; Luc 4:6). De lijn vanaf Adam gaat bergafwaarts (val-vloed-volken, Gen 1-11).

· God maakt een nieuw begin met Abram (Gen 12:3). Hij belooft hem een naam, volk (zaad), land, zegen, verbond,land (Gen 15:7). Eén man/volk wordt uitgekozen om alle volken bij God terug te brengen (Ex 15:18; 19:6; Deut 7?). Een voorpost van het koninkrijk, een kolonie van de hemel op aarde).

o uit Abram zouden koningen voortkomen (Gen 17)

o in Gen 49:10 wordt de belofte toegespitst opJuda; uit hem komt 'Silo' voort - 'Hij die er recht op heeft'.

o in 2 Sam 7:14 belooft God aanDavids Zoon het koningschap, met tijdelijke en eeuwige beloften

o maar boven de Davidische koningen staat altijd God (1 Kron 28:5)

Verval van Davids huis (moreel en qua macht) leidt tot nieuwe beloften, een nieuw perspectief. Soms spreken profeten van een hersteld koninkrijk, soms van een nieuwe hemel en aarde (het dualisme tussen de tegenwoordige tijd en de toekomende eeuw wordt steeds sterker). Vaak spreken ze alleen van heil voor Israël onder een rechtvaardige koning, soms ook voor alle volken die toestromen om Israëls God te eren (Jes 2; 7:14; 9:5-6; 53!; Mic 5:1; Zach 12-14).

 

Hooggespannen Joodse verwachtingen

Sinds de ballingschap was Israël overheerst en onrein. Heidenen heersten in het land, veel Joden waren afgeweken van de wet (zondaren). Daarom keek men reikhalzend uit naar Gods ingrijpen:

· Kosmische wonderen en tekenen (vgl. Joël 2)

· Gods koninkrijk zal zich onweerstaanbaar baan breken in de wereld:  Israëls vijanden en de zondaren zullen worden vernietigd. Ook Jezus' leerlingen vroegen om vuur van de hemel over de Samaritanen (het heil voor de volken lijkt in Joodse geschriften van die tijd vergeten). Johannes’ prediking van de doop met Geest en vuur (Matt 3:7v) heeft een parallel in het apocriefe Testamenten van de Twaalf Patriarchen.

· Davidisch koningschap wordt hersteld in Sion (nationalistisch heil)

· De rechtvaardige (wetsgetrouwe Joodse) doden zullen opstaan

· Joodse stromingen dachten verschillend over de Messias: sommigen verwachtten een ‘Messias van David’, anderen een ‘Messias van Aäron’, anderen beide (w.o. de Essenen in Qumran, die de laatste de hoogste plaats toedachten).

· Verschillende Joodse apocalypsen spreken van een 400/1000 jarig aards koninkrijk met Jeruzalem als middelpunt. Daarin speelt een Messiaanse koning (soms: de Mensenzoon) een niet scherp omschreven rol (soms sticht hij het koninkrijk, soms ontvangt hij het van God).

Rond Jezus’ tijd waren er ca. 12 (godsdienstig/politiek/militaire) Messiaanse bewegingen die min of meer een herhaling van Exodus en intocht verwachtten. Profeten riepen hun volgelingen naar de Jordaan of de Olijfberg en beloofden hen wonderen zoals onder Mozes en Jozua. Zo zouden zij de heidenen uit het land verdrijven en Gods koninkrijk opnieuw vestigen. Elk van die bewegingen eindigde tragisch in een bloedbad door Romeinse of Herodiaanse troepen. Judea en Galilea waren in Jezus' tijd een kruitvat.

In die context werd elk woord dat Jezus zei over het Koninkrijk van God op een goudschaaltje gewogen. Wat bedoelde hij en aan welke kant stond hij? Negeerde hij - zoals Hillel - de vreemde overheersing zolang hij de Wet maar kon bestuderen en naleven? Of wilde hij het land gewapenderhand zuiveren, zoals Shammai en de latere Zeloten?

Jezus en de komst van het koninkrijk

Marc 1:14-15 is programmatisch. Het koninkrijk

· is gekomen (nu): Marc 1:15 (vervuld); Matt 12:28; 11:2-15; Luc 11:20; 4:16-30; 17:21

· is nabij (straks): zaligsprekingen, Onze Vader, Avondmaal

· is zó anders dan verwacht!

o Jezus drijft demonen uit en geneest van zieken: dat waren de verwachte tekenen van het Koninkrijk

o Maar hij spreekt woorden van barmhartigheid i.p.v. vurig oordeel

§ Het aangename jaar des Heren … (Luc 4:18,19; breekt citaat Jes 61:2 af)

§ Beelden van feesten, bruiloften, maaltijden i.p.v. vasten (Matt 9:14-15).

o  Hij vernietigt de zondaren en heidenen niet, maar nodigt hen uit en houdt maaltijd met hoeren en tollenaars (Matt 9:10-13; 11:18-19).

o Hij richt vlammende waarschuwingen tot Israël (Luc 13:22-30//Matt 8:10-12; arbeiders in de wijngaard, de onrechtvaardige pachters, verloren en oudste zoon, de koninklijke bruiloft // Luc 14:15-24; geen toegang voor zelfrechtvaardigen, maar voor ‘kinderen’)

o De gelijkenissen (Matt 13) geven een verrassende, confronterende boodschap. Ze staan haaks op de Joodse koninkrijksverwachtingen: Gods koninkrijk komt niet ineens, militair onweerstaanbaar, maar

§ het groei geleidelijk en bijna onopgemerkt (zuurdeeg, mosterdzaad)

§ het zal tijdelijk vermengd zijn met kwaad en onzuiverheid (onkruid in de akker, sleepnet)

§  het zal worden tegengewerkt (zaaier, de vijand die onkruid zaait)

§ de Koning zal zelfs worden verworpen (de onrechtvaardige pachters, Luc 19:12v)

· In Jezus is het Koninkrijk van God gekomen. En iedereen die in hem gelooft, hoort bij het nieuwe volk van God en maakt deel uit van het Koninkrijk. Jezus drijft demonen uit en overwint de dood. Dat laat zien dat de macht van satan gebroken is - Gods Koninkrijk is bezig zich baan te breken. De kruisiging en opstanding van de koning zijn de beslissende overwinning. Het begin van het koninkrijk ligt bij de open graven in Matt 28.

o  We zijn overgebracht in zijn koninkrijk .. laten we dan ook leven als kinderen van het Koninkrijk! (Col 1:13-14)

o  De satanische machten zijn meegevoerd in zijn overwinningsparade (Col 2:15)

o De volken gaan de stad van de grote Koning binnen door de poorten waar de namen van de apostelen èn de twaalf stammen van Israël op staan (Op 21-22)

· Hemelvaart is de troonsbestijging van de Koning. Het evangelie van het koninkrijk is niet een speciale boodschap door en voor Joden (in de eerste tijd, en straks opnieuw in de grote verdrukking), maar de aankondiging van de apostelen dat Jezus Christus Koning van heel de schepping is. Een koning doet geen vriendelijke uitnodiging. De proclamatie van zijn overwinning en troonsbestijging houdt een oproep in om zich aan Hem te onderwerpen.

o Jezus is zoon van David en dus koning; hij verdient gehoorzaamheid uit geloof (Rom 1:3-4,5)

· Nog steeds leven wij in datzelfde spanningsveld als in het OT: God/Christus is Koning, maar wij zien het zo vaak nog niet. We leven ‘tussen D-Day en V-Day’, tussen ‘nu .. en nog niet’. Jezus’ genezingen en vooral zijn uitdrijven van demonen laten zien dat zijn koninkrijk toen al bezig was het rijk van de duivel binnen te dringen. Jezus plunderde het huis van de geweldenaar zonder dat die verzet kon bieden. We hebben de historische zekerheid van Jezus’ opstanding uit de dood. Dezelfde Geest door wie Jezus demonen uitdreef en zijn macht over satan bewees, hebben wij ontvangen op het Pinksterfeest – als onderpand van de toekomende eeuw (Ef 1:13-14 ).

  • Rom 8:19-23 Door die Geest zal straks de hele schepping verlost en vernieuwd worden. Het Evangelie is veel groter dan alleen individuele verlossing!
  • Aan het eind van de tijd zullen de doden opstaan en zal Christus zijn koningschap overdragen aan de Vader (1 Kor 15:23-28; 50-53)

 Het koninkrijk en de kerk

Koninkrijk en kerk zijn niet hetzelfde. De zichtbare kerk de is niet de aardse uitdrukking van het koninkrijk. Ook de onzichtbare kerk is niet identiek aan het koninkrijk. Koninkrijk en kerk zijn ook niet totaal verschillend: alsof het een (Israël) aards, het ander (de gemeente) hemels, geestelijk is.

Jezus verkondigde het koninkrijk en verzamelde discipelen om zich heen. Hij zond zijn discipelen erop uit met dezelfde boodschap: het koninkrijk is nabij gekomen. Die boodschap bleven de apostelen verkondigen tot het einde van het boek Handelingen (8:12; 19:8; 20:25; 28:23, 31). Met gebruik van andere woorden bleven ze diezelfde boodschap verkondigen in hun brieven en de Openbaring.

De kerk is de gemeenschap van het koninkrijk, maar nooit het koninkrijk zelf. Het is de gemeenschap van degenen die Gods heerschappij en de zegeningen van het koninkrijk ervaren. De kerk is een deel van het koninkrijk, maar het koninkrijk is veel groter. Het omvat Gods toekomstige, volmaakte heerschappij over de hele schepping.

In Matt 16:18-19 zegt Jezus: “Ik zal mijn gemeente (ekklesia) bouwen”. In het Oude Testament bouwt God zijn volk, de “vergadering van Israël” (Hebr. qahal; Gr. ekklesia).  Jezus' woorden wijzen dus op continuïteit met Israël. Maar met een belangrijk verschil: Jezus verbindt dit volk met zichzelf. Het is mijn ekklesia. Ieder die Hem belijdt als Messias (16:16!), dus als Koning, Hem volgt en gehoorzaamt, hoort bij het volk van zijn koninkrijk.

Met “de gemeente als het volk van het koninkrijk” bedoelen wij niet dat zij Israël vervangt in Gods plan. God heeft het koninkrijk aan het natuurlijk Israël ontnomen en de tijden der heidenen zijn begonnen. Voor die tijd heeft het zijn voorrechten verloren (de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters; de onvruchtbare vijgenboom).

Maar, zoals Paulus in Rom 9-11 schrijft, er is een toekomst voor Israël. Eenmaal zal het volk zich bekeren. Als God genadig was voor heidenen, zal Hij dat zeker zijn voor zijn verbondsvolk. Dan zullen wij samen met onze “oudste broer” een “feestelijke vergadering van eerstgeborenen” (Hebr 12:23) zijn en wonen in het nieuwe Jeruzalem op welks poorten de namen van de twaalf apostelen èn van de twaalf stammen Israëls staan.

 



Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:12
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)