close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Afdrukken
maandag, 16 november 2009 14:13

Informatiebronnen over Jezus

 

De evangeliën als betrouwbare historische bronnen

Kunnen documenten die onderling afhankelijk zijn en gebaseerd op mondelinge overleveringen, en die op zoveel plaatsen van elkaar afwijken toch betrouwbare bronnen van informatie zijn over de historische Jezus? Was dat sowieso de bedoeling van hun auteurs? Zijn het niet eerder theologische verhandelingen dan historische verslagen? Waren de eerste generaties christenen een creatieve gemeenschap die zich vrij voelde om woorden in Jezus’ mond te leggen die beantwoordden aan de behoeften van de gemeenten die zij aanschreven?

 

De verschillen tussen de evangeliën aan de ene kant en de kortheid van zelfs de langste beschreven toespraken van Jezus aan de andere kant, maken het heel duidelijk dat we hier eerder Jezus’ ipsissima vox horen dan zijn ipsissima verba. Dat stemt overeen met de manier waarop het Nieuwe Testament het Oude citeert. Veel citaten zijn niet woordelijk, maar geven de essentie en bedoeling van het aangehaalde bijbelgedeelte getrouw weer. Bock [1] heeft op kundige wijze laten zien dat dit overeenstemt met de antieke maatstaven van Grieks-Romeinse historiografie. De historicus voelde zich vrij om samen te vatten, de uitwerking van de spreker op zijn gehoor te laten voelen, en zelfs zijn materiaal anders te rangschikken. Maar hij diende wel de fundamentele strekking van de toespraken weer te geven en die niet uit zijn duim te zuigen.

Als dit al gold voor de antieke geschiedschrijving, dan waren de eisen in de Joodse cultuur zelfs nog hoger. Sinds het ontstaan van de Torah had men nadruk gelegd op het memoriseren en overpeinzen van het Woord van God. Dit had van de Joodse cultuur een ‘cultuur van het geheugen’ gemaakt. De Schriften bevatten allerlei elementen zoals beeldende beschrijvingen en parallellisme of chiasmen om als geheugensteun bij uitspraken te dienen. Rabbijnse scholen legden zware nadruk op het memoriseren van lange Schriftgedeelten. De mondelinge overlevering (die later zijn neerslag kreeg in de Mishna en Talmoed) ontwikkelde allerlei geheugensteuntjes. Harald Riesenberg [2] en Birger Gerhardsson[3] van de Universiteit van  Uppsala hebben betoogd dat de rigide patronen van memorisatie en parafrase in rabbijnse kringen in de eerste eeuwen na Christus een veel betere analogie bieden om de geschiedenis van de mondelinge traditie achter de evangelien te begrijpen dan de overlevering van volksverhalen en legenden.[4] Aan hun argumenten heeft Rainer Riesner[5] een overzicht toegevoegd van de onderwijsmethoden in het oude Israel en zijn buren. Daarin voert hij diverse goede argumenten aan waarom Jezus’ volgelingen zorgvuldig (maar niet per se woordelijk)  accurate informatie over hem zouden bewaren. Ze hadden zorgvuldig de woorden van de profeten bewaard en Jezus sprak met soortgelijk profetisch gezag. Dit werd nog versterkt doordat hij zichzelf presenteerde als Messias en goddelijke wijsheid verkondigde. Veel van zijn uitspraken hebben een makkelijk te onthouden vorm zoals we die tegenkomen in Hebreeuwse poëzie. Hij verzamelde leerlingen om zich heen zoals de meeste leraren in de Joodse en  Grieks-Romeinse cultuur dat deden om hun onderwijs voort te zetten, en droeg hen herhaaldelijk en uitdrukkelijk op om anderen te onderwijzen en door te geven wat hij gezegd en gedaan had. Als de creatieve gemeenschap woorden en daden van Jezus bedacht had[6] om tegemoet te komen aan de behoeften van de vroege kerk, zouden we verwachten dat ze hem woorden in mond hadden gelegd met betrekking tot de controversen die de kerk aan het eind van de eerste eeuw verdeelden. Maar dat gebeurde niet. Het lijkt alsof  “de eerste christenen er belang in stelden om het onderscheid te bewaren tussen wat er gebeurde tijdens Jezus’ leven en waar later over werd gedebatteerd in de kerken.”[7]

Veel nieuwtestamentici zijn geneigd een late datering van de evangeliën te aanvaarden en dus een lange tijd van mondelinge overlevering toe te staan.[8] Men ziet de profetieën over de val van Jeruzalem in 70 AD werden – op grond van een afwijzing van het bovennatuurlijke – veelal als ex eventu geschreven. Daardoor schept men een afstand van twee generaties tussen Jezus’ dood en de samenstelling van het vroegste evangelie. Op goede gronden zijn andere geleerden tot beduidend vroegere dateringen gekomen. Carson, Moo en Morris[9] dateren Marcus in de late 50er jaren, Mattheüs en Lucas in de vroege 60er jaren, en Johannes tussen 80-85 AD. Dat zou betekenen dat de synoptische evangelien minder dan dertig jaar na Jezus' dood geschreven werden. Dat plaatst hen dicht genoeg bij de beschreven gebeurtenissen om op de vingers getikt te worden als hun feiten niet klopten.[10] De korte tijdsspanne legt ook zware beperkingen op aan de veronderstelde werking van de ‘wetten van overlevering’.

Het lijkt daarom aannemelijk dat vele van Jezus’ woorden en daden in de eerste decennia van de kerkgeschiedenis zorgvuldig bewaard werden – met ruimte voor redactie, maar de strekking van wat hij zei en deed op betrouwbare wijze bewarend. Uitgaande van de Twee Bronnen hypothese kunnen we instemmen met de stelling van J. P. Meier dat deze betrouwbare verslagen tot ons gekomen zijn door onze belangrijkste bronnen Marcus, Q, en Johannes, aangevuld door M en L.

Nieuwtestamentische bronnen buiten de evangeliën

Vaak wordt er geen rekening gehouden met nieuwtestamentisch bewijsmateriaal met betrekking tot de historische Jezus buiten de evangeliën. Diverse nieuwtestamentici [11] hebben ten onrechte uit 2 Kor 5:16 begrepen dat Paulus (of zelfs zijn generatie christenen) geen belangstelling had voor de mens Jezus maar alleen voor de bovennatuurlijke Christus. Op grond van die verkeerde vooronderstelling gaan ze grotendeels voorbij aan de aanwijzingen in de brieven. Ze menen dat het mythisch is en dus waardeloos voor historisch onderzoek. Maar Paulus’ woorden betekenen niet dat hij geen belangstelling had voor de mens Jezus. Nee, hij plaatst zijn vroegere onbegrip (‘naar het vlees’) tegenover zijn nieuwe juiste begrip van wie Jezus is en wat hij betekent.[12] Zijn brieven aan de Korintiërs, Romeinen en de eerste aan de Thessalonicenzen worden gewoonlijk gedateerd tussen 50-57 AD.[13] Samen met de brief van Jacobus – die waarschijnlijk in de jaren '40 is geschreven – zijn zij van ouder datum dan de evangelien. Hun verwijzingen naar woorden van Jezus moeten daarom afkomstig zijn uit de mondelinge overlevering. In feite gebruikt Paulus soms technische termen om te beschrijven hoe hij bepaalde tradities ontving en zorgvuldig weer doorgaf: “Ik heb van de Heer ontvangen wat ik u ook weer doorgegeven heb” (1 Kor 11:23), en “Ik heb u [het evangelie] verkondigd, dat u ook ontvangen hebt” (1 Kor 15:1).[14] In feite leest Paulus’ versie van de instelling van het Avondmaal nagenoeg hetzelfde als Lucas’ verslag van de gebeurtenis (Luc 22:14-23). Dat wijst op een zorgvuldig doorgeven van de overlevering vergelijkbaar met het rabbijnse jodendom.

In zijn brief aan de Romeinen verwijst Paulus naar Jezus’ woorden over het zegenen van wie u vervolgen (12:14 cf. Luc 5:27-28), niemand kwaad met kwaad vergelden (12:17 cf. Matt 5:39), het betalen van belasting en schatting (13:7 cf. Marc 12:17), het liefhebben van zijn naaste als samenvatting van de wet (13:8-9 cf. Marc 12:31; Gal 5:14), en het erkennen van alle voedsel als rein (14:14 cf. Marc 7:19b; Luc 11:41). Theissen werpt echter tegen dat zulke woorden (ook in 1 Kor 1-4, Jacobus en 1 Petrus) anonieme tradities kunnen weerspiegelen die langs andere wegen (d.i. in de evangeliën) zijn doorgegeven als woorden van Jezus. Hij voegt eraan toe: “Doch gibt es keinen methodisch gesicherten Weg, herauszufinden, ob sie dem jeweiligen Verfasser als Herrenworte bekannt waren.”[15]

In 1 Korintiërs citeert de apostel expliciet drie keer Jezus’ woorden: over echtscheiding en hertrouwen (7.10-11 cf. Marc 10:10-12), over het ontvangen van geld voor geestelijk werk (9:14 cf. Matt 10.10; Luc 10:7), en over de instelling van het Avondmaal (11.23-26 cf. Luc 22:19-20).

1 Thes 4:15-18 is omstreden. Paulus leidt deze woorden onomwonden in als een woord van de Heer. Toch zien sommige geleerden het als een enigszins aangepaste apocalyptisch uitspraak van Jezus[16] (cf. Matt 24:43) terwijl anderen het begrijpen als een persoonlijke openbaring van de verheerlijkte Christus aan Paulus. De brief van Jacobus bevat talrijke parallellen met de Bergrede.

Wat Jezus’ daden en omstandigheden betreft, zelfs wanneer we ons beperken tot de onomstreden brieven in het Nieuwe Testament vinden we biografische informatie over: Jezus’ afstamming van Abraham en David (Rom 1:3; Gal 3:16), zijn opvoeding in de joodse wet (Gal 4:4), zijn leerlingen Cephas/Petrus en Johannes (Gal 1:19), zijn broers (1 Kor 9:5) en in het bijzonder Jacobus (Gal 2:9), zijn deugdzame leven (Rom 15:3,8; 2 Kor 8:9; Fil 2:6-8), zijn Laatste Avondmaal en verraad (1 Kor 11:23-35), zijn dood en opstanding (1 Kor 15:4-8; Gal 3:1; 1 Thes 2:15).

Niet-canonieke christelijke teksten

Op dit moment is één van de felst bediscussieerde vragen in het onderzoek naar de historische Jezus in hoeverre niet-canonieke teksten bruikbaar zijn. John Dominic Crossan en het Jesus Seminar hebben, in navolging van Helmut Köster en James Robinson (oud-studenten van Bultmann), met grote nadruk de canonieke grenzen betwist en gepleit voor het gebruiken van al het beschikbare bronmateriaal.[17] Crossan heeft de stelling geponeerd dat achter het 2e eeuwse apocriefe Evangelie van Petrus een door hem zo genoemd Kruisevangelie stond. Hij meent dat dit evangelie zó vroeg is dat het de enige bron is achter de lijdensgeschiedenissen in alle vier canonieke evangeliën. Meier wijst deze claims resoluut van de hand. Verwijzend naar eerder werk door Léon Vaganay, Jerry McCant en Joel B. Green, stelt hij dat zowel het evangelie van Petrus als het hypothetische Kruisevangelie duidelijk afhankelijk zijn van de Synoptici.[18] Theissen is wat minder uitgesproken maar kent het Petrus evangelie weinig historische waarde toe.[19]

Crossan houdt ook vol dat het Koptische evangelie van Thomas, het Egerton Papyrus 2 (PEg 2) en het geheime evangelie van Marcus ouder zijn dan de canonieke evangelien. Wat het fragmentarische en beschadigde Egerton Papyrus 2 betreft, stellen zowel Theissen[20] als Meier[21] dat het moeilijk is zijn ouderdom en literaire relatie met de canonieke evangeliën vast te stellen. Meier wijst Crossan's claim af dat de tekst van Johannes en Marcus literair schatplichtig is aan PEg 2. Meier[22] en Theissen[23] zijn het er over eens dat het geheime evangelie eerder de canonieke evangeliën veronderstelt, dan andersom.

Verreweg de belangrijkste van de niet-canonieke bronnen is het evangelie van Thomas. In 1896 vonden B.P. Grenfell en A.S. Hunt een 2e eeuws Grieks papyrusfragment in Oxyrhynchus in Egypte. Dit fragment (POx 1) bevatte acht onbekende uitspraken van Jezus. Vroeg in de twintigste eeuw werden nog twee 3e eeuwse fragmenten met nog andere gezegden (POx 654 and 655) gevonden. Toen in 1945 een compleet Koptisch evangelie van Thomas (ca. 400 AD) werd ontdekt als onderdeel van de gnostische bibliotheek van Nag Hammadi in Egypte, realiseerden geleerden zich dat de Griekse fragmenten delen waren van hetzelfde evangelie.[24] Daarom meent men dat Thomas oorspronkelijk geschreven is rond 140 AD. Er lijkt geen hard bewijs te zijn om het tijdstip van ontstaan nog een eeuw verder terug te schuiven naar ca. 60 AD zoals het Jesus seminar doet.[25] Theissen meent dat een oude en onafhankelijke traditie achter dit evangelie waarschijnlijk (maar omstreden) is, maar betwijfelt of de uiteindelijke redactie in de 1e eeuw AD plaats vond.[26] Meier betoogt dat Thomas[27] Hij erkent dat dit de vraag open laat of er misschien toch een heel vroege, misschien zelfs precanonieke bron bewaard zou kunnen zijn gebleven in het evangelie van Thomas. Toch neigt hij tot de mening dat Thomas steunt op de synoptische traditie. Zijn relatieve beknoptheid hoeft geen teken van grote ouderdom te zijn. Het kan net zo goed het gevolg van zijn dat de auteur allerlei verklarende opmerkingen, toepassingen en historische verwijzingen uit het synoptische bronmateriaal heeft verwijderd. Meer nog, Thomas bevat parallellen met ieder evangelie en elke veronderstelde ‘laag’ daarin – gemeenschappelijk synoptisch materiaal, materiaal uit Q, en exclusief materiaal van Mattheüs of Lucas. Het is waarschijnlijker dat Thomas heeft gesteund op de vier evangelien, dan dat alle evangeliën en hun bronnen onafhankelijk van elkaar gebruik zouden hebben gemaakt van Thomas. Tenslotte lijken verschillende uitspraken in Thomas om geen andere reden op elkaar te volgen dan dat dit hun volgorde is in de Synoptici waar ze deel uitmaken van een doorlopend verhaal. Weer is het aannemelijker dat deze uitspraken eenvoudig uit hun context zijn gelicht dan dat een context is uitgevonden voor twee tot dan losstaande uitspraken. diepgaande gnostische re-interpretatie vertoont, zoals die pas ergens de 2e eeuw voorkwam.

Blomberg[28] draagt nog twee overtuigende argumenten aan die erop wijzen dat Thomas van later datum is dan de canonieke evangeliën en zwaar op hen steunt. Ten eerste wijzen diverse reeksen van uitspraken op een ontwikkeling van de oorspronkelijke gezegden in gnostische richting. Ten tweede vertonen vele onderschikte kenmerken van het evangelie van Thomas parallellen met wijzigingen in de overlevering van de evangeliën zoals we die aantreffen in manuscripten uit de late 2e-4e eeuw (Koptische versies, de Diatessaron, geschriften van Clemens van Alexandrië) en 6e eeuwse varianten in manuscripten van de evangeliën.

De gegevens overziende en de argumenten voor een veronderstelde ouderdom en onafhankelijkheid van het Gospel of Thomas gewogen hebbend, komt Meier tot de slotsom:

Omdat ik geloof dat de op de synoptici lijkende uitspraken in het Evangelie van Thomas in feite afhankelijk zijn van de synoptische evangeliën en dat de andere uitspraken uit de christelijke Gnostiek van de 2e eeuw stammen, zullen wij het Evangelie van Thomas niet gebruiken in onze zoektocht als een onafhankelijke bron voor de historische Jezus.[29]

Tot dusver zijn de niet-canonieke bronnen van weinig tot geen waarde gebleken in de zoektocht naar de historische Jezus. Noch ongunstiger is de situatie in het geval van de zogenaamde Joods-christelijke evangeliën, zoals het evangelie van de Nazarenen, het evangelie van de Ebionieten of het evangelie van de Hebreeën. Ze stammen weliswaar uit de 2e eeuw, maar we kennen hun inhoud slechts bij stukjes en beetjes door citaten van kerkvaders uit de 4e eeuw die ook nog eens op verschillende manieren aan deze evangeliën refereerden. Een naastliggend onderzoeksveld vormen de niet-christelijke bronnen.

 

Verkenning van de wereld waarin Jezus leefde

Het laatste kwart van de twintigste eeuw is getuige geweest van een grote verschuiving in de methodologie van het historisch onderzoek. Dat geldt ook voor het onderzoek naar de antieke geschiedenis en de oorsprong van het Christendom. De vertegenwoordigers van de Third Quest hebben meer aandacht besteed aan Jezus’ jood zijn, getuige zulke titels als A Marginal Jew (J.P. Meier), Jesus and Judaism (E.P. Sanders) en Jesus the Jew (Vermes). Archeologische opgravingen in Sepphoris en elders hebben onze achtergrondkennis van Galilea in de eerste eeuw AD verbreed en verdiept. Belangrijk is ook dat de sociale wetenschappen een rol van betekenis zijn gaan spelen in het moderne onderzoek naar de historische Jezus.[30]

Er zijn veel studies gewijd aan de Galileese achtergrond (o.a. door Richard Horsley en Sean Freyne) in een poging de ‘Jezus beweging’ te begrijpen en licht te werpen op haar doelen.[31] Zulke studies hebben zich gericht op diverse groepen en bewegingen uit de eerst eeuw, zoals Sadduceeërs, Farizeeërs, Essenen en Zeloten. Vervolgens hebben zijn geprobeerd om Jezus te begrijpen in zijn relatie tot zulke groepen. Maakte hij daar deel van uit, probeerde hij ze op andere gedachten te brengen, of keerde hij zich tegen hen? Andere studies hebben zich bezig gehouden met de sociaaleconomische veranderingen en de daaruit voortkomende spanningen tussen de Grieks-Romeinse steden en het joodse platteland.

Sociologische analyse kan geen portret schilderen van de hoofdpersoon – dat kunnen alleen de teksten. Maar zij kan wel een achtergrond schilderen die veel meer diepte geeft aan de persoon op de voorgrond. Jezus’ woorden en daden moeten zinvol zijn in zijn historische context. Deze studies hebben veel gegevens opgeleverd om tot een betere uitleg van de evangeliën te komen.


Samenvatting en conclusie

De zoektocht naar de historische Jezus moet bijna helemaal gebaseerd worden op de vier canonieke evangeliën en nieuwtestamentische brieven, plus het Testimonium Flavianum. De apocriefe evangeliën zijn van late datum en waarschijnlijk afhankelijk van de canonieke evangeliën. Bovendien zijn zij meestal theologisch vooringenomen: ze proberen een gnostische Christus te presenteren. De verwijzingen naar Jezus in Mishna en Talmoed zijn onzeker, laat en vanwege hun polemische karakter vrijwel zonder historische waarde. Heidense bronnen bevestigen het bestaan en de kruisiging van een wijze man Jezus in Israël, maar weinig meer.

De evangeliën willen meer bieden dan eenvoudige levensbeschrijvingen van Jezus. De redactie kritiek heeft terecht benadrukt dat zij een theologische agenda nastreven. Maar er zijn goede redenen om hen te accepteren als betrouwbare informatiebronnen voor de historische Jezus.

Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:20
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)