close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Afdrukken
maandag, 16 november 2009 17:05

Niet-christelijke bronnen

Maar weinig mensen beweren dat Jezus nooit bestaan heeft.  Daarvoor is het getuigenis van de 27 boeken van het Nieuwe Testament en het getuigenis van de vroege kerk, aangevuld met enkele Romeinse en Joodse bronnen, te duidelijk. Deze niet-christelijke bronnen wijzen op een beperkt aantal historische omstandigheden rond zijn leven en dood, en op de overtuigingen van de eerste christenen.

 

Heidense bronnen

tacitus Tacitus

Deze Romeinse geschiedschrijver schreef omstreeks 112 AD. in zijn Annalen (XV 44), dat Nero de christenen vals beschuldigde van het stichten van de Grote Brand van Rome.

 

“Maar noch menselijke hulp, noch keizerlijke mildheid, noch alle wijzen waarop hij de hemel trachtte te verzoenen, konden het gerucht de kop indrukken of de overtuiging wegnemen dat de brand op bevel had plaats gevonden. Daarom, om het gerucht te ontkrachten, schoof Nero een groep mensen als schuldigen naar voren die werden verafschuwd om hun wandaden en door het plebs christenen werden genoemd, en strafte hen met de meest verfijnde wreedheden. Christus, de stichter van de naam, had de doodstraf ondergaan tijdens de regering van Tiberius, door de uitspraak van de procurator Pontius Pilatus. Maar het walgelijke bijgeloof, voor een tijd onderdrukt, stak weer de kop op, niet alleen in heel Judea, waar dit kwaad zijn oorsprong had, maar ook in de hoofdstad zelf, waar alle verschrikkelijke of schandelijke dingen van de wereld zich verzamelen en navolging vinden. Eerst werden dan de uitgesproken leden van de sekte gearresteerd. Daarna, op grond van hun bekentenissen, werden grote aantallen veroordeeld, niet zozeer vanwege brandstichting, maar op grond van haat tegen het menselijk geslacht. En spot begeleidde hun einde: ze werden bedekt met vellen van wilde beesten en aan stukken gereten door honden; of ze werden bevestigd aan kruisen en als het donker werd verbrand om ’s nachts als verlichting te dienen. Nero had zijn tuinen aangeboden voor het schouwspel en gaf een schouwspel in zijn circus, waarbij hij zichzelf uitgedost als wagenmenner onder de menigte begaf, of rijdend op zijn wagen. Dientengevolge, ondanks een schuld die de meest aansprekende straf had verdiend, ontstond er een gevoel van medelijden dat te wijten was aan de indruk dat zij werden geofferd niet voor het welzijn van de staat, maar ter wille van de wreedheid van een enkele man.”

Later refereert Tacitus nog aan het Christendom in een fragment van zijn Geschiedenissen, dat handelt over de verbranding van de Tempel in 70 AD. Tacitus staat allerminst sympathiek tegenover het Christendom. Daarom is hij een onbevangen getuige van de plaats en tijd van Jezus’ executie. Ook zijn gebruik van de naam Christus (de Latijnse versie van het Griekse Christos) in plaats van Jezus wijst op messiaans geloof in de vroege christelijke traditie. De aanduiding ‘superstitio’ wijst op een religieus begrip van Jezus in plaats van het volgen van een wijze. Maar we moeten wel de vraag stellen op welke bronnen Tacitus zijn beschrijving van Jezus baseerde. Was dat op een officieel maar verloren gaan stuk uit de archieven over het bestuur van Pilatus in Judea, op het verhoor van christenen, of gewoon op horen zeggen?

Op zijn best biedt Tacitus ons een vroeg heidens getuigenis van het bestaan, de exacte plaats en tijd, de dood en volgelingen van Jezus. Samen met Josefus is hij de enige vroege, onafhankelijke niet-christelijke getuige. Diverse andere heidense schrijvers noemen Jezus of Christus (niet altijd bij naam) maar ze vertellen ons meer over de vroege christenen dan over de historische figuur Jezus.


suetonius-portraitSuetonius

Gaius Suetonius Tranquillas (ca. 70–160AD) was eerste secretaris van keizer Hadrianus en had toegang tot de keizerlijke archieven. Hij noteert ca. 120 AD in zijn Leven van Claudius 25.4:

"Omdat de Joden voortdurend opstootjes veroorzaakten op aanstichten van Chrestus (=Christus?), verdreef hij (Claudius) hen uit Rome."

Elders schrijft hij over christenvervolgingen onder Nero. Verschillende commentatoren hebben aangetekend dat ‘Chrestus’ mogelijk een variante spelling van ‘Christus’ is. De verklaring is dan dat er herhaaldelijk rellen waren in de joodse gemeenschap in Rome tussen aanhangers en tegenstanders van Jezus Christus. Daar is tegenin gebracht dat toen Paulus ca. 60 AD in Rome aankwam en de aanspraken van Jezus Christus met de leiders van de joodse gemeenschap besprak (Hand 28:21-22), zij geen blijk gaven van bekendheid met de christelijke beweging. ‘Chrestus’ wordt dan begrepen als de naam van de (joodse) leider van een meute. Deze naam is echter nergens aangetroffen onder honderden joodse grafschriften in de Romeinse catacomben. In onze zoektocht naar de historische Jezus biedt deze passages ons weinig meer dan een bevestiging van zijn bestaan vóór het midden van de eerste eeuw AD.

 

Plinius_Secundus Plinius Secundus

Deze stadhouder van de Romeinse provincie Pontus (in het hedendaagse Turkije) beschrijft in een brief aan keizer Trajanus omstreeks 111 AD zijn behandeling van beschuldigingen tegen christenen. Onder hun gewoonten noemt hij dat ze op een vaste dag voor zonsopgang hymnen opdragen aan Christus als aan een god (Christo quasi deo). Dit helpt ons een beeld te vormen van het vroege Christendom, maar voegt weinig toe aan onze kennis over de historische Jezus.

"Ik heb de gewoonte, Heer, mij tot U te wenden met alle zaken, waarover ik in twijfel verkeer. Wie immers kan beter dan Gij bij mijn aarzeling mij leiding geven of mijn onwetendheid onderrichten? Bij processen tegen Christenen ben ik nooit geweest: daarom weet ik niet wat men gewoonlijk daarbij bestraft of onderzoekt en hoever men daarbij gaat. Zo zat ik in ongewone moeilijkheden: moet er enig verschil gemaakt worden naar leeftijd; moeten soms de nog zo jeugdigen niets afwijken van de sterkeren? Moet er vergiffenis geschonken worden aan het berouw of moet hij, die werkelijk Christen is geweest, geen nut ervan hebben dat hij opgehouden heeft het te zijn? Moet de naam zelf, als hij vrij is van schanddaden, straf meebrengen of geldt dat van schanddaden, die onafscheidbaar zijn van de naam?

Voorlopig heb ik deze gedragslijn gevolgd met hen, die als Christen bij mij werden aangebracht. Ik heb aan hen de vraag gesteld, of zij Christenen waren. Hun die bekenden, heb ik ten tweeden en ten derden male de vraag gesteld en hen daarbij met de doodstraf bedreigd. Wie bleven volharden heb ik laten terechtstellen. Immers, ik was hier zeker van, dat, wat het ook wezen mocht dat zij beleden, toch voorzeker hun hardnekkigheid en onbuigzame koppigheid behoorden te worden bestraft. Er waren anderen, even waanzinnig, die ik, omdat, zij Romeinen waren, aangetekend heb om naar Rome opgezonden te worden. Weldra zoals dat pleegt te gebeuren tengevolge van het feit, dat een zaak aan de orde is, breidde de aanklacht zich uit en deden zich verscheidene bijzondere gevallen voor. Een anoniem geschrift is mij voorgelegd, dat vele namen bevatte. Hen die ontkenden, dat zij Christenen waren of geweest waren, als zij na mij de goden hadden aangeroepen en voor Uw beeld - dat ik om deze reden met de godenbeelden had laten aanbrengen - met wierook en wijn gebeden hadden verricht en bovendien Christus hadden gevloekt (dingen waartoe, naar men zegt, zij die inderdaad Christenen waren niet te brengen zijn) heb ik vrijgelaten. Anderen bekenden maar kwamen daar weldra van terug. Zij zeiden, dat zij het wel geweest waren, maar dat zij ermee opgehouden waren, sommi­gen drie jaar geleden, sommigen al vele jaren, menigeen zelfs meer dan twintig jaar geleden. Allen hebben zowel aan Uw beeld als aan de godenbeelden eer bewezen en Christus gevloekt. Zij verzekerden dan, dat hun hele dwaling als volgt was geweest, dat zij gewoon waren op een vaststaande dag voor zonsopgang samen te komen en in beurtzang een hymne op Christus, als op een god, te reciteren en zich door een heilige handeling te verplichten, niet tot enig misdrijf, maar om geen diefstal, roof of ontucht te begaan, geen woordbreuk te plegen, geen opvordering van toevertrouwd goed te verloochenen. Daarna was het hun gewoonte  uiteen te gaan en later weer samen te komen om spijs te gebruiken, maar heel gewoon en onschuldig voedsel. En daarmee waren zij opgehouden na mijn edict, waarbij ik volgens Uw instructies verboden had, dat er 'broederschappen' zouden zijn. Om dit alles heb ik het min of meer noodzakelijk geacht om wat er waar van was ook door pijniging te onderzoeken uit twee dienstboden, die diakonessen genoemd werden. Ik heb niets anders gevonden dan een ordinair, teugelloos bijgeloof. Derhalve heb ik de instructie uitgesteld en besloten U te raadplegen. Want de zaak schijnt mij raadpleging te verdienen, vooral om het getal van hen, die er gevaar bij lopen. Want velen van allerlei leeftijd, stand en zelfs van beide seksen worden aangeklaagd en zullen dat worden.

De besmetting van dat bijgeloof heeft zich niet alleen tot de steden, maar ook in de dorpen en op het platteland verbreid, doch zij schijnt tot stilstand en tot herstel gebracht te kunnen worden. In elk geval staat het al in voldoende mate vast, dat de tempels, die reeds bijna verlaten stonden, de eredienst zijn gaan hervatten en dat de plechtigheden, die lang hadden stilgelegen, weer beginnen bezocht te worden, en dat men het vlees der offerdieren te koop heeft, waarvoor kopers maar uiterst zelden te vinden waren geweest. En uit dat alles is gemakkelijk op te maken, welk een menigte van mensen op het goede pad kan worden gebracht, als er ruimte wordt gemaakt voor berouw." `

Geschreven omstreeks 111 na Christus, waarschijnlijk vanuit Amisus  (Samsoen) in Pontus.[1]

 

Lucianus van Samosata

Desatiricus Lucianus (115–200 AD?) schreef Het heengaan van Peregrinus, een spottend blijspel over een afvallige christelijke bekeerling. Daarin beschreef hij Christus als ".. de man die werd gekruisigd in Palestina omdat hij deze nieuwe godsdienst in de wereld bracht. Verder overtuigde hun eerste wetgever hen ervan, dat ze allen broeders van elkaar waren, nadat ze eens voor altijd overtreden hebben door de Griekse goden te verloochenen en deze gekruisigde sofist zelf te aanbidden en onder zijn wetten te leven." Ook in zijn Alexander de valse profeet noemt hij christenen verschillende malen. Meier veronderstelt dat Lucianus alleen weergeeft wat in die tijd gemeengoed was en niet kan worden beschouwd als een onafhankelijke bron van historische gegevens.


Thallus

Deze Romeinse of Samaritaanse geschiedschrijver uit de eerste eeuw moet een geschiedenis van de wereld in drie delen geschreven hebben. Het werk is bijna volledig verloren gegaan. Julius Africanus (ca.170-240AD) vertelt van hem dat hij een natuurlijke verklaring gegeven zou hebben voor de duisternis op het moment van Jezus’ kruisiging.


Mara Bar-Serapion

De Syrische Stoïcijn Mara schreef vanuit een Romeinse gevangenis een brief aan zijn zoon Serapion, waarschijnlijk kort na 73AD. Hij herinnert zijn zoon aan het lot van verschillende steden of volkeren die drie wijze mannen verworpen hadden: de Atheners die Socrates doodden, de Samiërs die Pythagoras verbrandden, en de Joden die ‘de wijze koning’ terecht stelden. Als straf verloren zij hun koninkrijk.


Celsus

De heiden Celsus leefde in de 2e eeuw AD. Origenes keert zich in de derde eeuw tegen zijn standpunten. Celsus’ geschriften zijn niet bewaard gebleven, maar we hebben toegang tot een klein deel van zijn werk wanneer Origenes passages citeert om die te verwerpen. Het volgende Contra Celsum 1.28. is zo'n passage. Zijn polemische karakter maakt het historisch waardeloos.

"Jezus kwam uit een dorp in Judea en was de zoon van een arme jodin die door handwerk in haar levensonderhoud voorzag. Zijn moeder was weggestuurd door haar man, een timmerman, vanwege een veroordeling wegens overspel[met een soldaat genaamd Panthera (i.32)]. Aldus weggestuurd door haar echtgenoot en in ongenade ronddwalend bracht zij Jezus ter wereld, een bastaard. Jezus werd vanwege hun armoede verhuurd naar Egypte. Daar verwierf hij bepaalde (magische) krachten waarop de Egyptenaren zich beroemen. Verrukt over het bezit van deze krachten keerde hij terug naar huis en gaf zichzelf vanwege hun kracht uit voor een god."

 

Joodse bronnen over Jezus

Flavius Josefus

Als het beeld dat de evangelien schetsen van Jezus’ afkomst (een onbeduidend dorp in Galilea, een onbelangrijke provincie in Palestina) en dood (gekruisigd als een misdadiger) juist is, zou je weinig verwijzingen naar hem verwachten in de niet-christelijke geschriften van zijn tijd. Het opmerkelijke is dat Jezus verschijnt buiten het Nieuwe Testament, en wel precies op die ene plaats waar we hem zouden verwachten: in Flavius Josefus, de joodse geschiedschrijver (37 - ca.100 AD).

Josefus was tijdens de Joodse Oorlog van 66-70 AD als Zeloot commandant van de Joodse opstandelingen in Galilea. Toen het tij keerde, liep hij over, voorspelde de Romeinse generaal Vespasianus dat hij keizer zou worden, en redde daarmee zijn leven. Voortaan hoefde hij zich zelfs geen zorgen te maken over de kosten voor zijn levensonderhoud en kon hij zich wijden aan het optekenen van de geschiedenis van zijn volk. Zijn werk is een van de meest waardevolle bronnen van kennis op dit gebied. Josefus kende Galilea goed en vertelt ook over de executie van Johannes de Doper door Herodes Antipas (Oudheden20.9.1) en de moord op de apostel Jacobus op aanstichten van de hogepriester Ananus (Oudh. 18.116-19).

Aangezien Ananus zo iemand was, en omdat hij de kans schoon zag nu Festus gestorven was Albinus nog niet was aangekomen, riep hij het Sanhedrin samen en liet Jacobus, de broer van Jezus (die 'Messias' genoemd wordt) samen met enkele anderen voorgeleiden. Hij beschuldigde hen ervan de wet te overtreden en liet hen stenigen.

Jacobus wordt niet op de gebruikelijke manier aangeduid als ‘Jacobus zoon van’, maar als de broer van Jezus. Juist dieterloopse verwijzing is een sterk bewijs voor Jezus' historische bestaanen betekenis. De passage wordt algemeen als authentiek aanvaard. Toch is ze niet zonder problemen. Origenes citeert deze passage ook, maar zijn citaat bevat de onwaarschijnlijke toevoeging waarin Josefus zegt dat de verwoesting van Jeruzalem en de tempel de straf waren voor de terechtstelling van Jacobus. Het lijkt waarschijnlijk dat zelfs de tekst van Josefus die Origenes voor zich had door christenen bewerkt was.

Zijn Joodse Oudheden 17.33 omvat de omstreden zinsnede:

"Nu was daar omstreeks die tijd Jezus, een wijze man, als het juist is hem een man (mens) te noemen, want hij deed wonderlijke werken, een leraar van mensen die de waarheid met blijdschap aannemen. Hij trok tot zich velen van de Joden en velen van de heidenen. Hij was de Christus en toen Pilatus, op aandringen van vooraanstaande mannen onder ons, hen tot het kruis veroordeeld had, lieten degenen die hem eerst hadden liefgehad, hem niet in de steek; want hij verscheen hen levend op de derde dag; zoals de profeten van God deze en tienduizend andere dingen over hem hadden voorspeld. En de stam van de christenen, die zo naar hem genoemd is, is tot op deze dag niet uitgeroeid."

Dit zogenaamde ‘Testimonium Flavianum’ is de enige rechtstreekse vermelding van Jezus in de geschriften van Josefus. Waarschijnlijk hebben overijverige christenen in later jaren enkele woorden aan de oorspronkelijke tekst van Josefus toegevoegd, want uit zijn werk blijkt duidelijk dat hij nooit christen geweest is. Gelukkig is een deel van zijn werk ook in de Arabische wereld bewaard gebleven. Dat maakt een reconstructie van de tekst mogelijk:

"Nu was daar omstreeks die tijd Jezus, een wijze man. Hij deed wonderlijke werken, een leraar van mensen die de waarheid met blijdschap aannemen. Hij trok tot zich velen van de Joden en velen van de heidenen. En toen Pilatus, op aandringen van vooraanstaande mannen onder ons, hen tot het kruis veroordeeld had, lieten degenen die hem eerst hadden liefgehad, hem niet in de steek. Zij vertelden dat hij aan hen verschenen was na zijn kruisiging en dat hij leefde; in overeenstemming daarmee was hij  misschien de Messias over wie de profeten wonderlijke dingen verteld hebben. En de stam van de christenen, die zo naar hem genoemd is, is tot op deze dag niet uitgeroeid."

Eusebius citeerde de passage in drie van zijn  werken.[33] Maar Origenes kende het blijkbaar niet in de weergave die voor Eusebius lag, want in zijn commentaar op de passage over Jacobus schreef hij: “Het bijzondere is dat ook al erkende hij [Josefus] onze Jezus niet als de Christus, hij toch getuigde van zoveel gerechtigheid in Jacobus.”[34] Elders zei Origenes dat Josefus “niet geloofde dat Jezus de Christus was.”[35] Als dit juist is, dan is het onwaarschijnlijk dat Josefus geïmpliceerd zou hebben dat Jezus meer dan menselijk was, dat hij de Christus was, en dat hij ondubbelzinnig zijn opstanding zou betuigen. Toch denken de meeste geleerden dat deze passage in de grond authentiek is. Er bestaat geen duidelijk tekstbewijs van het tegendeel, de stijl past in zijn normale patroon, en het grootste deel van de passage is niet typisch christelijk (zoals het aanduiden van Jezus als een ‘wijs man’ of de christenen als een ‘stam’). Het eenvoudig noemen van Jezus in Oudh. 20.9.1 lijkt te impliceren dat hij al eerder is voorgesteld.

In deze versie wordt Jezus geportretteerd als een (wijs) mens. De tekst noemt geen wonderen die Jezus gedaan zou hebben, maar benadrukt zijn deugdzame levenswandel. De verschijning na de kruisiging wordt genoemd als een bericht van Jezus’ volgelingen i.p.v. objectief feit. Het voorzichtige “misschien” is de laatste regel ingevoegd. Deze observaties hebben Pines en anderen tot de conclusie geleid dat de Arabische versie waarschijnlijk de oorspronkelijke bewoordingen bewaard heeft. Zelfs in deze lezing valt op dat Josefus met meer sympathie over Jezus spreekt dan hij gewoonlijk doet over een would-be Messias.

Samenvattend, Josefus vertelt dat Jezus de broer was van Jacobus, de gedode leider van de gemeente te Jeruzalem, dat hij een wijze leraar was met een grote en blijvende aanhang die hem als de Messias zag – zelfs toen hij was gekruisigd onder Pilatus – en berichtte over zijn verschijning aan sommigen van hen na zijn kruisdood.

Andere aangedragen joodse verslagen omvatten één mogelijke vermelding in de Mishna, diverse polemische passages tegen Jezus in de Talmoed (ca. 400 – 500 AD), en de notoire Toledot Yeshu uit de 6e eeuw. De onzekerheid over de identiteit van ‘Yeshu’ in diverse passages, hun late datering en polemische karakter maken hen vrijwel waardeloos als bronnen voor de historische Jezus.


Mishna: Simeon ben Azzai vindt een geslachtsregister

Dit is de enige [veronderstelde] verwijzing naar Jezus in de Mishna (B. Yebamoth 49a, M. Yebamoth 4.13):

Simeon ben Azzai heeft gezegd: Ik vond in Jeruzalem een geslachtsregister waarin geschreven stond: Dat die en die een bastaardzoon van een gehuwde vrouw is.

Men veronderstelt dat ynIl{P., ‘die en die’, een verhulde verwijzing naar Jezus is. Er is reden om aan te nemen dat dit in de latere Talmoedische literatuur vaak, zo niet altijd, het geval is. Maar in dit geval is het problematisch. In de latere literatuur kunnen de rabbijnse auteurs goede reden gehad hebben om voorzichtig te zijn met openlijke negatieve verwijzingen naar Jezus, maar zulke beperkingen speelden geen rol voor de samenstellers van de Mishna. Natuurlijk bestaat de mogelijkheid dat de tekst oorspronkelijk expliciet was, en dat ynIl{P. in de plaats kwam van Wfy> toen de omstandigheden daartoe dwongen.


Talmoed: Yeshu en Joshua ben Perachiah

Sanhedrin 107b // Sota 47a (behalve de laatste zin) luidt:

De Rabbi's leerden: Men moet de linkerhand altijd gebruiken om iets van zich af te duwen, de rechterhand daarentegen om iets naar zich toe te halen. Maar men moet het niet zo doen als Elisa die Gehazi van zich af stootte, noch als R. Joshua ben Perachiah, die Yeshu van zich af wees met beide handen. (…) Op een dag, toen Joshua bezig was het Shema te reciteren, kwam Yeshu naar hem toe, in de hoop op een audiëntie. Joshua gebaarde naar hem met zijn hand. Yeshu begreep het verkeerd en dacht dat hij werd afgewezen. Daarom ging hij weg, richtte een baksteen op en aanbad die. Joshua zei tegen hem, “Bekeer je!” Yeshu antwoordde, “Ik heb dit van u geleerd: ‘Iemand die zondigt en mensen tot zonde brengt, krijgt geen kans om zich te bekeren.’” [De Leraar zei: “Yeshu praktiseerde toverij en bedierf en misleidde Israel.”]

Dit verhaal kan niet direct verbonden worden met de overgeleverde gebeurtenissen in het leven van Jezus, en het speelt zich 100 jaar eerder af. Yeshu/Yeshua is geen ongebruikelijke naam. Het kan dus zijn dat we hier eenvoudig een verhaal hebben over een joodse deugniet die toevallig dezelfde naam als Jezus draagt. Maar zoals de laatste zin (alleen in de Sanhedrin versie) duidelijk maakt, werd het, los van de oorspronkelijke bedoeling, in de vroege middeleeuwen verbonden met de Yeshu/Jezus overleveringen.


Talmoed: geen bewijs voor onschuld gevonden

In Baraita Bab. Sanhedrin 43a staat:

Er is een overlevering (in een baraita [45]): Ze verhingen Yeshu op de sabbat van het Paasfeest.[46] Maar veertig dagen lang ging er een boodschapper voor hem uit (die riep), “Yeshu zal gestenigd worden omdat hij toverij bedreven en Israël verleid heeft en heeft afgeleid van God.[47] Laat eenieder die bewijs ten gunste van hem kan aanvoeren,  naar voren komen en hem verdedigen.” Toen er echter niets gunstigs over hem gevonden werd, werd hij opgehangen op de sabbat van het paasfeest. Ulla [48] gaf dit commentaar: "Denken jullie dat hij tot diegenen behoort voor wie ontlastend bewijs wordt gezocht? Nee, hij was een verleider [van wie] de Al-barmhartige gezegd heeft: 'Betoon hen geen medelijden ... en bied hen geen bescherming.' (Deut 13.8b) [49] In Yeshu's geval echter, werd een uitzondering gemaakt omdat hij dicht bij degenen stond die [politiek/godsdienstig] gezag uitoefenden.” [50]

Er zijn twee moeilijkheden met dit gedeelte: de details kloppen niet goed met de weergave in de evangeliën, en Yeshu/ Yeshua/ Yeshoshua (allemaal vormen van dezelfde naam) was een uiterst vaak voorkomende naam. Daartegenover maakt het feit dat deze Yeshu evenals Jezus wordt terechtgesteld rond het Paasfeest, het minder waarschijnlijk dat het om een andere Yeshu(a) gaat. De afwijkende details weerspiegelen misschien een andere overlevering dan de canonieke evangeliën. Misschien werden verhalen over andere Yeshu(a)'s of beschuldigde tovenaars vermengd met authentieke overleveringen over Jezus om een nieuw verhaal te scheppen. Dit verhaal is moeilijk met zekerheid te dateren, maar het kan niet later zijn dan ca. 220 AD. [51] Het schuin gedrukte deel dateert op zijn vroegst uit de 4e eeuw.


Talmoed: Jezus’ leerlingen

Sanhedrin 43a spreekt over vijf discipelen van Jezus die worden berecht en terechtgesteld. “Er is een overlevering (in een Baraita): Yeshu had vijf leerlingen [52]: Mattai, Nakkai, Netzer, Buni, en Todah.” Mattai is waarschijnlijk Mattheüs. Over de identiteit van de anderen kunnen we alleen maar speculeren. Het getal van vijf i.p.v. twaalf discipelen heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in een niet-christelijke overlevering. Misschien is het niet toevallig dat zowel Yohanan ben Zakkai als Akiba elk vijf leerlingen hadden.


Toledot Yeshu

Deze afkeurende en insinuerende weergave van het leven van Jezus is voortgekomen uit de reactie van de joodse gemeenschap op het christendom. De overlevering wordt gewoonlijk gedateerd rond de 6e eeuw AD. De tekst zelf staat dichter bij de 14e eeuw. Er is geen overeenstemming onder geleerden of en in welke mate de tekst een directe parodie is op een verloren gegaan evangelie (zoals dat van de Hebreeën).

De Toledot vertelt dat Jezus de buitenechtelijke zoon was van de soldaat Joseph Pandera die Miriam verleid had tijdens haar menstruatie periode, terwijl hij zich voordeed als haar verloofde Yohanan. Hij bevat zulke fantastische vertellingen als een gevecht midden in de lucht tussen Jezus (Yehoshua/Yeshu) en Judas Iskarioto, het oversteken van het meer van Galilea op een molensteen, en opgehangen worden aan een bonenstaak. Hij verzamelde grote aanhang in Galilea, waar hij leerde dat hij de Messias was, geboren uit een maagd als vervulling van de profetie van Jesaja. Hij verrichtte genezingswonderen en wekte doden op door misbruik van Gods allerheiligste naam.


Dode Zee rollen

Qumran_grot_4 De Dode Zeerollen, in 1947 ontdekt in grotten vlakbij Qumran, werpen licht op de tekst van het Oude Testament, op de ontwikkeling van het Jodendom in de periode tussen de testamenten, en op de joodse achtergrond van Jezus en de evangeliën. De rollen omvatten vrijwel het hele Oude Testament en geschriften van de gemeenschap die in Qumran leefde. Ze dateren uit de periode van 150 vChr tot 73 nChr. Voor deze ontdekking dateerden de oudste bekende schriftrollen uit ca. 900 nChr. Sommige geleerden hebben echter beweerd dat de rollen ook licht werpen op de historische Jezus.

Qumran_pottery André Dupont-Sommer[55] was de eerste die de gemeenschap van Qumran verbond met de Essenen. Hij legde ook een relatie tussen Jezus en de Essenen. Hij beweerde dat Jezus was voorafgeschaduwd in de gedode en opnieuw verschenen ‘leraar der gerechtigheid’ – iets dat hij baseerde op zijn idiosyncratische vertaling van het Habakuk Commentaar 2.15. Andere geleerden zoals Vermes[56] hebben zijn vertaling en daarvan afgeleide interpretatie afgewezen.

Toch hebben diverse schrijvers een relatie gelegd tussen Johannes de Doper en Jezus en de gemeenschap van de Essenen. Robert H. Eisenman meende dat Jacobus, de broer van Jezus, de 'leraar der gerechtigheid' van Qumran was. Hij suggereerde dat Jacobus een joods-christelijke stroming vertegenwoordigde die geleidelijk werd onderdrukt door de helleniserende stroming onder aanvoering van de apostel Paulus, die hij neerzet als de ‘archetypische zelfhatende jood'. In 1991 beweerden Eisenman en Wise[59] dat een fragment uit de Qumran Oorlogsrol (4Q285) sprak van een ‘doorboorde Messias’ die overeenkomst vertoonde met de gekruisgde Christus van het christendom. Die vergelijking leunde zwaar op hun vocalisatie van de Hebreeuwse medeklinkertekst. Andere geleerden, zoals Vermes[60], waren het niet met Eisenman en Wise eens en and stelden een andere vocalisatie voor. Dit voorstel lijkt meer overeen te stemmen met de totale context van de Oorlogsrol die eerder een overwinnende dan een lijdende Messias laat zien.

Samenvattend zien we in de Talmoed een aantal polemische passages van onzekere en waarschijnlijke late datum. Daarom hebben zij maar beperkte waarde in de zoektocht naar de historische Jezus. Ze lijken de aanspraak van de evangeliën te ondersteunen dat Jezus een genezer was (ook al schrijven zij dit toe aan magie) en een leraar met volgelingen. De kennelijk vroege Pandera/Panthera overleveringen verraden mogelijk een conflict over de veronderstelde maagdelijke geboorte, maar zijn misschien ook wel polemiek tegen latere christelijke overleveringen. De Dode Zeerollen bieden geen zekerheid omtrent een relatie tussen Jezus en de gemeenschap van Qumran. De conclusie moet zijn dat, afgezien van Josefus, joodse bronnen ons vrijwel geen informatie bieden over de historische Jezus.

Qumran2

Shrine_of_the_book_ext dead_sea_scrolls_shrine_of_the_book_israel_museum_jerusalem_israel_photo_gov
Resten van de nederzetting Khirbet Qumran De Shrine of the Book waar de rollen in een gecontroleerd klimaat bewaard worden. De vorm herinnert aan het deksel van de kruiken waarin ze gevonden werden. Het interieur van de Shrine of the Book. De vormgeving van de centrale vitrine is afgeleid van een boekrol.
[1] Naar: Het oudste christendom en de antieke cultuur II. red. Waszink, van Unnik en De Beus. Haarlem 1951
[30] William Whiston, The Life and Works of Flavius Josephus on Ages Library CD-Rom The Master Christian Library. Version 7. Disc 2.
[31] Which apparently did not contain the Testimonium Flavianum (Ant.18:63) in its Christian reworking.
[32] Josephus, Antiquities. Tr. I. H. Feldman, Loeb Classical Library, vol. 9, 49ff.
[33] Ecclesiastical History 1:XI and Demonstr. Evang., III. 5.
[34] From a comment on Matthew 10:17 in his Commentary on Matthew.
[35] Contra Celsum 1.47.
[36] E.g., E.P. Sanders, The Historical Figure of Jesus (London: Penguin, 1993), 50.
[37] From Agapios’ Kitab al-'Unwan ("Book of the Title," 10th c.). Agapios was bishop of Hierapolis in Syria.  The translation belongs to Shlomo Pines, An Arabic Version of the Testimonium Flavianum and Its Implications (Jerusalem: Israel Academy of Sciences and Humanities, 1971). In contrast it has been argued that the original may have been much more insulting, in keeping with Josephus’ normal pattern, and that the Greek and Arabic versions are simply two different recensions of a Christian rewrite. See, for instance, http://ccat.sas.upenn.edu/~humm/Topics/JewishJesus/josephus.html.
[38] E.g. Geza Vermes, “The Jesus Notice of Josephus Re-examined”, Journal of Jewish Studies 38 [1987]:10.
[39] Oral traditions organized according to subject matter by Rabbi Akiba, revised by his student Rabbi Meir and completed by Rabbi Judah ca. 200 AD.
[40] Meier, Marginal Jew, 98.
[41] http://ccat.sas.upenn.edu/~humm/Topics/JewishJesus/josephus.html.
[42] Presumably the hand sign meant that Yeshu should wait until Joshua had finished the Shema.
[43] Yamauchi, “Jesus Outside the New Testament: What is the Evidence?” in: Jesus Under Fire (p.214) has: Jesus the Nazarene.
[44] http://ccat.sas.upenn.edu/~humm/Topics/JewishJesus/josephus.html.
[45] Baraitas are early rabbinical teachings that were not taken up into the Mishna, but which were preserved in later documents (Tosefta, Talmud).
[46] “Sabbath of the Passover”. alt: “on the eve of the Passover.” One ms. reads “on the Sabbath on the eve of Passover.”
[47] See the same charge in Sanhedrin 107b and Sota 47a.
[48] Ulla. Late 3rd / early 4th c. AD. Goldstein, Jesus in the Jewish Tradition, 109.
[49] Deuteronomy 13.6-9 command that those who lead Israel to worship other gods are to be executed: “If anyone secretly entices you... saying, ‘Let us worship other gods’,... you must not yield to or heed any such persons. Show them no pity or compassion and do not shield them. But you shall surely kill them; your own hand shall be first against them to execute them, and afterwards the hand of all the people.” [NRSV].
[50] http://ccat.sas.upenn.edu/~humm/Topics/JewishJesus/josephus.html.
[51] Goldstein, Jesus in the Jewish Tradition, 29.
[52] “Students”: or “disciples”. Heb: talmidim.
[53] As argued in H.J. Goldstein, Jesus in the Jewish Tradition, 148-154.
[54] “Pandera” may be a perversion of the Greek parthenos.
[55] André Dupont-Sommer. The Dead Sea Scrolls. (New York: Macmillan, 1952).
[56] G. Vermes. The Dead Sea Scrolls in English. 3rd ed. (Baltimore: Penguin, 1987), 288-89.
[57] E.g. Edmund Wilson, The Scrolls from the Dead Sea (New York: Oxford University Press, 1955); John Marco Allegro, The Sacred Mushroom and the Cross (Garden City, NY: Doubleday, 1970); Barbara Thiering, Jesus and the Riddle of the Dead Sea Scrolls (San Francisco: Harper&Row, 1992).
[58] Robert H. Eisenman. James the Just in the Habakkuk Pesher. (Leiden: Brill, 1986).
[59] Robert H. Eisenman and M. Wise. The Dead Sea Scrolls Uncovered. (Rockport, MA.: Element, 1992).
[60] Geza Vermes. “The Oxford Forum for Qumran Research Seminar on the Rule of War from Cave 4 (4Q285)”, Journal of Jewish Studies 43 (1992): 85-90.
 
 
 

Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:20
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)