close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
woensdag, 23 september 2020
Afdrukken
maandag, 16 november 2009 19:39
Inhoudsopgave
Apocriefen
Alternatieve theorieen
Omvang van de canon
Apocriefe boeken
Alle pagina's

Alternatieve theorieën over de vorming van de canon

Wie onze theïstische vooronderstellingen niet onderschrijft, kan met het bovenstaande niet uit de voeten en zal een heel andere verklaring geven van het ontstaan van de huidige canon. Wanneer we ons daarin verdiepen, krijgen we tevens een  beter begrip van de implicaties van de naar onze overtuiging juiste visie. In een notendop is het alternatief:

Iedere zin in het Oude Testament was profane literatuur voordat het canonieke heilige schrift werd.[7]

Volgens H.E. Ryle [8] was er al lang een Hebreeuwse literatuur voordat er een Hebreeuwse Canon ontstond. Hij onderscheidt drie fasen: de fase van de literaire voorlopers van de OT boeken, de fase van de redactie van deze boeken tot hun huidige vorm, en tenslotte de fase van selectie van deze boeken voor een plaats in de nationale canon van de Heilige Schrift.

Toen Ezra voor het verzamelde volk de Wet voorlas (Neh 8) werd de Pentateuch als bindend erkend en dus gecanoniseerd. De eerste Hebreeuwse canon bestond dus uit de Pentateuch. Maar al in de dagen van Nehemia bestond er bijzondere interesse voor de geschriften en gezegden van de profeten (waarom blijft onduidelijk). Volgens Ryle werden die gecanoniseerd tussen 300 en 200 v Chr.

De overige geschriften bestonden al wel, maar vormden een soort aanhangsel bij deze tweedelige canon. Waarschijnlijk (Ryle) zijn die gecanoniseerd in de Maccabeeëntijd, op de vleugels van nationalistische gevoelens. Het bevel van Antiochus IV om de Joodse nationale geschriften te vernietigen, verhoogde in de ogen van de Joden terstond de waarde van deze boeken en ze werden ook als gezaghebbend erkend. Ryle plaatst de officiële erkenning van deze canonieke boeken rond 90 AD – het werk van de raad (sanhedrin), het ‘Grote Beth Din’ (huis van oordeel) van Jamnia (Jabne) bij Jaffa. Wellhausen schrijft die laatste fase toe aan de Farizeeën.

Oesterley en Robinson menen dat sommige boeken geleidelijk als heiliger werden beschouwd dan andere en dus een canon gingen vormen.[8] Zij wezen een canonisatie in drie fasen af. De gedachte van een canon werd afgedwongen door de oprukkende Griekse cultuur en literatuur en i.h.b. de verspreiding van (schadelijke, dwalende) Joodse apocriefe boeken. De canon werd ook volgens hen vastgesteld rond 100 AD en betekende dus een metamorfose voor een deel van de Joodse literatuur: eenmaal vastgesteld, kregen de canonieke boeken een nieuwe status.
Bentzen [10] ziet in Nehemia 8-10 een aanduiding van de invoering van het soort wet dat gangbaar was in Joodse kringen in de ballingschap. Maar al in de dagen van Josia (7e eeuw) bestond de gedachte van een normatief boek der Wet en het geloof dat God door zo’n heilig boek zijn wil kon openbaren – een heilige geschreven Wet. Hij ziet zelfs al veel eerder de gedachte dat een godheid een wet geeft – het oude credo van Israël (Deut 26:5b-9).[9] Zulke gedachten vormden echter nog geen canon. Pas in de eeuw na de ballingschap werden de verschillende tradities samengevoegd en ontstond de canon als het oudste deel van de OT canon.

De canon van de Profeten begon toen Jesaja zijn leerlingen opdroeg het woord te bewaren (Jes 8:16) en toen Jeremia Baruch opdroeg zijn waarschuwingen op te schrijven. De ballingschap bevestigde de woorden van de profeten en voor 200 BC was de profetische canon in essentie afgesloten. Het derde deel van de canon bleef nog geruime tijd vaag. Ook Bentzen houdt Jamnia verantwoordelijk voor de definitieve vaststelling van de canon.

Pfeiffer[10] ziet – als variant op de fundamentele liberale theorie van Ryle - de eerste canonisatie wanneer de gevonden boekrol (‘van Deuteronomium’) als het Woord van God wordt beschouwd en in praktijk wordt gebracht. Rond 650 BC werden de oude literaire werken van Israël samen gevoegd tot een groot nationaal epos. Rond 550 BC werd Deuteronomium eraan toegevoegd, en dat gaf aan het gecombineerde werk zijn canonieke status[11]. Rond 400 BC werd er nog het Priesterlijke document aan toegevoegd en werd dit ook canoniek.


Overwegingen bij deze alternatieven

De raad van Jamnia

De stelling dat in de eerste eeuw  na Chr. de canon nog een open karakter zou hebben gehad wordt vooral onderbouwd door het vermeende belang van de synode van Jamnia, die gehouden werd in het jaar 90 na Chr. Het was in eerste instantie Graetz[12] en in tweede instantie de gezaghebbende H.E. Ryle[13] die beweerden dat de canon pas op dat moment tot een afsluiting kwam. Gedurende deze synode zouden de boeken Hooglied en Prediker als canonieke boeken zijn erkend.

Nader onderzoek heeft echter aangetoond dat we geen reden hebben om te spreken over een echte synode van Jamnia. We weten heel weinig over deze raad. Na de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel kreeg rabbi Johanan ben Zakkai toestemming zich in Jamnia te vestigen om de wet te bestuderen en te becommentariëren. Het plaatsje werd een centrum van Schriftstudie en er vonden discussies plaats tussen rabbijnen.

Het is wel duidelijk dat er in de decennia tussen 70 en 100 regelmatig ontmoetingen tussen schriftgeleerden te Jamnia zijn geweest[14]. Maar daaruit[15] kan niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een serieuze discussie over de canoniciteit van deze boeken. Er werd in de discussie juist uitgegaan van hun canoniciteit [16]. Het ging er meer om of de boeken Spreuken, Prediker, Hooglied en Ester wel tot canon gerekend konden worden, dan over de vraag of er boeken aan de canon konden worden toegevoegd. In feite werden hier geen nieuwe formele of bindende beslissingen genomen, maar werd de bestaande traditie alleen verder uitgekristalliseerd en bevestigd.[17] Het valt niet hard te maken dat hier beslissingen werden genomen over de canoniciteit van het hele OT.

De discussie spitst zich toe op de onmiddellijke heiligheid van de letters van deze boeken wanneer zij geschreven staan in synagogale boekrollen waaruit gelezen wordt. Dergelijke discussies over de aard van de Bijbelboeken zetten zich ook voort in de 2e eeuw na Chr. Dit is voldoende reden om de bijeenkomsten in Jamnia niet op te vatten als een synode waarop een zwaarwegende beslissing als die van de afsluiting van de canon werd genomen.

Dat er al eerder een vaste traditie bestond, blijkt o.m. uit Jezus’ woorden in Matt 23:35 en Luc 11:51. Daar spreekt Jezus samenvattend van het vermoorde profeten, van het rechtvaardige bloed van Abel (Gen 4, het eerste boek van de Hebreeuwse canon) tot dat van Zacharia (2 Kron 24, het laatste boek van de canon). Hierbij krijgen we de indruk dat Christus Genesis als het begin en 2 Kronieken als het einde van de Hebreeuwse canon opvat. Hiermee hebben we een niet onbelangrijke aanwijzing voor de gedachte dat in Christus' dagen dezelfde canon bekend was als degene die we nu hebben[18].

Maar: het blijft mogelijk dat binnen deze collectie latere canonieke boeken afwezig waren, of dat tot deze collectie ook boeken hebben behoord die later als apocrief zijn aangeduid.

Ezra en Nehemia

Evenmin valt te staven dat beslissingen over de canoniciteit van (delen van) het OT genomen werden door Ezra en Nehemia of hun tijdgenoten. Ezra wordt meteen (7:6v) opgevoerd als ‘een schriftgeleerde, bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had’. Pfeiffer ontkent dat Nehemia 8-10 iets zeggen over canonisatie. Veeleer wordt de Wet daar als oud en gezaghebbend genoemd (Neh 8:1,8,13; 10:29). Op dit punt breekt hij met de overheersende schriftkritische visie zoals vertegenwoordigd door Ryle.



Laatst aangepast op maandag, 01 november 2010 13:47
  Geen reacties.
You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)