close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
woensdag, 23 september 2020
Afdrukken
maandag, 16 november 2009 19:39
Inhoudsopgave
Apocriefen
Alternatieve theorieen
Omvang van de canon
Apocriefe boeken
Alle pagina's

 

De apocriefe of deuterocanonieke boeken

De aanduiding apocrief (apokruphon) betekent zoveel als ‘verhuld, verborgen’. Voor de voorstanders wees dit op esoterische kennis voor ingewijden, te diepzinnig om zomaar aan iedereen meegedeeld te worden. Tegenstanders vonden dat ze maar beter verborgen konden blijven vanwege hun dwalende en twijfelachtige karakter. Het zijn:

Zij maken geen deel uit van de Hebreeuwse of Palestijnse canon, maar zijn wel opgenomen in de Septuagint, de Alexandrijnse canon. Sommigen beweren dat de laatste origineel is en pas later is beperkt tot de veel kleiner Palestijnse canon. Hier wordt de visie verdedigd dat de Hebreeuwse canon oud en oorspronkelijk is. Bovendien wijzen verschillende tekenen erop dat de apocriefen wel waren opgenomen in de Alexandrijnse verzameling, maar niet op gelijke voet met de canonieke. Verschillende Afrikaanse kerkvaders noemen hen kerkelijke geschriften.


De pseudepigrapha

Letterlijk: 'onder fictieve naam'. Die aanduiding zou op de meeste apocriefen van toepassing zijn (m.u.v. Ecclesiasticus), maar wordt gewoonlijk gereserveerd voor joodse geschriften uit de periode 200 v Chr – 200 n Chr. Er is geen standaard of traditionele ordening van zulke boeken.

Tot deze groep worden gerekend:

  • De hemelvaart van Jesaja
  • De opname van Mozes
  • Het boek van Henoch
  • Het boek der Jubileeën
  • De Griekse Apocalyps van Baruch
  • Brieven van Aristeas
  • III en IV Maccabeeën
  • Psalmen van Salomo
  • Geheimenissen van Henoch
  • Sibyllijnse orakels
  • De Syrische Apocalyps van Baruch
  • De brief van Baruch
  • Het Testament van de Twaalf Aartsvaders

Waarom werden deze boeken niet als canoniek aanvaard?

Een vraag waar Christenen verschillend over denken, is of de apocriefe of deuterocanonieke boeken in een bijbeluitgave moeten worden opgenomen. Deze boeken zijn door de Rooms-katholieke kerk[30] en grotendeels door de Grieks-orthodoxe kerk aanvaard[31]. In de meeste protestantse kerken en binnen het hedendaagse Jodendom worden ze niet aanvaard als geïnspireerde en dus tot de canon behorende boeken.

In de protestantse traditie heeft men de apocriefen afgewezen vanwege trekken die strijdig zijn met goddelijke inspiratie.

  • Zowel Judith als Tobit bevatten historische, chronologische en geografische fouten. De boeken rechtvaardigen bedrog en maken behoud afhankelijk van verdienstelijke werken. Bijv. het geven van aalmoezen redt van de dood (Tobit 4:10; 12:9; 14:10,11). Judith handelt ‘als Gods instrument’ listig en bedrieglijk (9:10,13).
  • Ecclesiasticus en Wijsheid van Salomo bevatten ‘situatie ethiek’. Wijsheid leert schepping uit pre-existente stof (11:17), Ecclesiasticus dat aalmoezen zonden verzoent (3:30), Baruch dat God de gebeden van doden hoort (3:4).
  • I Maccabeeën bevat weer historische en geografische fouten.
  • In het Nieuwe Testament worden apocriefe boeken nergens als ‘de Schrift’ opgevat. Wel bestaan er vele plaatsen waar er naar wordt verwezen[32], maar nergens wordt zo'n verwijzing ingeleid met de zinsnede "de Schrift zegt"[33].
  1. Noch Flavius Josephus, noch Philo citeren uit deze boeken [34].  Maar een argument uit stilzwijgen is nooit sterk. Ook kan men met behulp van deze redenering verdedigen dat canonieke boeken, die niet in het Nieuwe Testament zijn geciteerd, daarom oorspronkelijk niet in de oudtestamentische canon thuishoorden[35].
  • Een aanwijzing voor het bestaan van een canon waartoe ook de apocriefe boeken behoorden, is tot nu toe niet gevonden. Men kan hiertegen inbrengen dat de Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament) de apocriefen wel heeft opgenomen, en dat ze daarom in bepaalde kringen binnen het Jodendom als canoniek zijn erkend. Maar hiervoor hebben we geen aanwijzingen uit historische bronnen.
  1. In dit verband is het van belang om na te gaan om welke reden de Septuaginta tot stand is gekomen. Volgens de Aristeasbrief kwam deze vertaling tot stand toen de Egyptische vorst Ptolemaeus II aan 70 Joodse geleerden de opdracht gaf om de joodse godsdienstige geschriften te vertalen. Hoewel veel details waarschijnlijk legendarisch zijn, is het toch mogelijk dat het verhaal een historische kern bevat. Als de vertaling van de joodse wet in het Grieks op overheidsinitiatief plaatsvond, is het onwaarschijnlijk dat deze vertaling op Joods initiatief en uit religieuze noodzaak tot stand kwam. Voor de overheid was het niet zo belangrijk of alle in de Septuaginta opgenomen boeken canoniek zijn.
  2. Er blijft dus niet veel historisch bewijs over voor de canoniciteit van de apocriefe boeken. Maar we hebben hiermee nog niet bewezen dat in die periode de canon de vorm bezat die hij nu heeft.

Verschillende argumenten wijzen in de richting dat de canon in ieder geval al in de 2e eeuw v.Chr. was gevormd. Er bestaan geen aanwijzingen dat de op een laat tijdstip geschreven apocriefe boeken rond het begin van de jaartelling canoniek werden. Toch blijft in veel wetenschappelijke literatuur de stelling bestaan dat rond de jaartelling de precieze omvang van de canon nog niet vaststond. Op dit gegeven wil ik nader ingaan.  

Veel wijst erop dat binnen het Jodendom van rond de jaartelling geen sprake was een canon die overeen kwam met de Alexandrijnse. Het is echter de vraag of de vroege kerk, door haar acceptatie van de Septuaginta, daarmee niet de apocriefe boeken al in een vroeg stadium aanvaardde. Er bestaan echter meerdere verklaringen, waaruit blijkt dat in de vroege kerk de Palestijnse canon als gezaghebbend werd overgenomen. Te denken valt bijvoorbeeld aan Melito[37], de bisschop van Sardis, Tertullianus van Afrika, Origenes, Eusebius en vele anderen[38]. Voor zover bekend was er pas onder Augustinus sprake van een canon, waaraan de apocriefen zijn toegevoegd[39].  Er zijn dus duidelijke aanwijzingen dat de kerk tot aan de 4e eeuw v.Chr. de Palestijnse canon bezat. Dit geeft aan dat de apostelen, hoewel ze gebruik maakten van de Septuaginta, hiermee niet de apocriefe boeken uit de Septuaginta erkenden. 
Als de erkenning van wet, profeten en geschriften zó vaststaat, dan is het onwaarschijnlijk dat de canon pas in het jaar 90, dus na de tempelverwoesting, tot stand kwam.

Dat de canon rond de jaartelling niet meer werd uitgebreid, wordt ook bevestigd door de verschillen tussen de Farizeeën, Sadduceeën en Essenen[40]. Rond de 2e eeuw v.Chr. gingen deze groepen uiteen[41]. Het is waarschijnlijk dat de onderlinge rivaliteit tussen deze stromingen voorkwam dat nog boeken aan de canon werden toegevoegd. Dit gegeven harmonieert ook met het feit dat het NT het Oude Testament als een geheel presenteert.

Er lijken dus voldoende aanwijzingen te zijn dat de canon van de Hebreeuwse bijbel de meest oorspronkelijke is. Het is aannemelijk dat dit ook het Oude Testament is, dat Jezus en de apostelen gebruikten. Als de vroege kerk al gebruik maakte van de Septuaginta, dan bestaat er toch geen enkele aanwijzing dat in deze periode zoiets als een Alexandrijnse canon bestond. Dit is voldoende reden om te pleiten voor een Bijbel zonder de apocriefe boeken.

[1] De term komt voort uit kanē zoals kanēs, kanna = oorspr. een van riet geweven bedekking. De betekenis ‘maatstaf’ werd meer bekend door o.m. gebruik in de architectuur.

[2] R.T. Beckwith,  The Canon of the Old Testa­ment. 1985 . Zie ook: Edward J. Young, The Canon of the Old Testament en G. Douglas Young, The Apocrypha in: Revelation and the Bible.e druk, 1969. Ed. Carl F. Henry. Grand Rapids 6

[3] Leipoldt, J. en S. Morenz; Heilige Schriften, 89-91; 165-169.

[4] Zelfs buiten Israël waarborgde de eerbied en vrees voor de goden het bewaren en bewaken van openbarende teksten; aan heilige schriften werd niet toegevoegd of afgedaan. Akkadische orakelteksten blijken betrouwbaarder te zijn dan koninklijke annalen. Milton C. Fischer, The Canon of the Old Testament. In: EBC, I:387

[5] Beckwith, a.w. 80-86. Hij wijst vooral op Kelim 15.6 en M. Yadajim 4.6 Hij wijst erop dat nieuwe exemplaren van de Schrift niet meer binnenge­bracht mochten worden, omdat anders de handen onrein zouden worden. Alleen binnen de tempel was het vernieuwen en herschrij­ven van Bijbelboeken mogelijk. Dit geeft aan dat het introduceren van een boek in de tempel een zeer plechtige zaak was, waar zeer moeilijk toe over te gaan was.

[6] In: W.H. Green, General Introduction to the Old Testament. New York: Scribner, 1898.

[7] R.H. Pfeiffer, Interpreter’s Dictionary of the Bible 1:499.

[8] The Canon of the Old Testament, London 1892

[9] W.O.E. Oesterley & Th. H. Robinson, An Introduction to the Books of the Old Testament, London 1934. p.2

[10] A. Bentzen, Introduction to the Old Testament. Kopenhagen, 1952. p.20-41

[11] Vgl. Credo-theorie van Gerhard von Rad

[12] R.H. Pfeiffer,  Introduction to the Old Testament. New York, 1946.

[13] Dit klinkt wel heel onwaarschijnlijk. Alle aanwijzingen duiden erop dat de Joden hun canonieke geschriften een hele hoge, heilige plaats gaven. Zouden ze die dan samenvoegen met andere, zuiver menselijke geschriften?

[14] H.E. Graetz, Kohelet. Leipzig 1871, Anhang 1, "Der alttestamentliche Kanon und seine Abschluss".

[15] H.E. Ryle, The Canon of the Old Testament. Londen 1892.

[16] J. van. Bruggen, Wie maakte de Bijbel?, Kampen 1986. blz. 26. Deze sluit aan o.a. bij R.C. Newman; The Council of Jamnia and the Old Testament Canon in: Westminster Theologi­cal Journal 38 (1975/6), 319-349. R.T. Beckwith, a.w. 276, zegt van de bijeenkomst in Jamnia: "...the  occasion in question was a session of the elders there".

[17] Mjadajim III 5 d over het feit dat zowel prediker als Hooglied de handen verontreinigden.

[18] J. van. Bruggen, a.w. blz. 27, 114-119.

[19] H.H. Rowley, The Growth of the Old Testament. London, 1950. p.120

[20] R. Beckwith, The Old Testament Canon of the New Testament Church, Londen 1985, blz. 115. Ook Th. C. Vriezen, A.S. van der Woude; Literatuur van Oud-Israël; Wassenaar 1976, blz. 80-81 hanteert deze tekst als een bewijs voor het feit dat de Hebreeuwse Bijbel in de ons bekende vorm rond de jaarteling reeds bestond, maar verdedigt in blz. 85v en 92v, op grond van de synode van Jamnia dat de omvang van de Ketubim nog onzeker was.

[21] O. Eissfeldt, Einleitung in das Alte Testament, Tübingen 1964 blz.768.

[22] J. van . Bruggen, a.w. blz. 24.

[23] Ook leden van de gemeenschap van Qumran bezaten en lazen pseudonieme apocalyptische literatuur (o.a. Henoch, het boek der Jubileeën) maar beschouwden die kennelijk niet als behorend tot de canon.

[24] Deze 22 boeken komen overeen met de verderop vermelde 24 boeken. Waarschijnlijk heeft Josephus het aantal boeken willen laten harmoniëren met het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet. Hiertoe trok hij Ruth bij Richteren en Klaagliederen bij Jeremia.

[25] Flavius Josefus, Contra Apionem, I, 38, 39-40.

[26] Contra Apionem I, 41

[27] Contra Apionem I, 42-43.

[28] 4 Ezra 14:18-48.

[29] De school van Hillel aanvaardde het als canoniek, die van Shammai niet. Kennelijk had de laatste hier de overhand.

[30] De Rooms-katholieke kerk aanvaardde deze boeken op het concilie van Trente (1546) en op het eerste Vaticaanse concilie (1870). De in Rooms-katholieke kring gebruikelijke term "deuterocanonieke boeken" werd in 1566 voor het eerst gebruikt door Sixtus van Siena. cf. R.J. Foster, "The Formation and History of the Canon" in B. Orchard, A Catholic Commentary on holy Scripture, New York 1953, par. 13b.

[31] Hiervan was niet in alle gevallen sprake. Patriarch Cyrillus Lucianus verdedigde in een belijdenis van 1629 de onderscheiding zoals deze door de reformatoren was aangebracht. Hij werd echter verworpen door zijn opvolgers en door de synode van Constantinopel en Jeruzalem in 1672. cf. A. Forte­sque, The Orthodox Eastern Church, Londen 1929, blz. 264 vv.

[32] Nestle-Aland, Novum Testamentum Graece Ed. 26, Stuttgart 1979, blz. 769-775.

[33] R. Pache, Inspiratie en het gezag van de Bijbel, Amsterdam 1977, blz. 90.

[34] Pache, a.w. blz. 161.

[35] W.S. LaSor, , D.A. Hubbard, F.W. Bush; Old Testament Survey, Grand Rapids 1987, blz. 23.

[36] J.W. Doeve, Het Palestijnse jodendom tussen 500 voor en 400 na Chr.  I, Van de ballingschap tot Agrippa. Utrecht 1973 p.173 v.

[37] Hij stelde de oudste Christelijke lijst van OT boeken op en reisde daarvoor naar Judea. Zijn lijst is bewaard in Eusebius’ Kerkgeschiedenis, IV, 26. Hij slaat Esther bewust over.

[38] R.L. Harris, Canon of the Old Testament, in: The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible (ed.M.C. Tenney e.a.) Grand Rapids 1975, blz. 727-729.

[39] R.L.Harris,  a.w., blz. 730.

[40] Beckwith, a.w. blz. 86-91.

[41] Pas in deze periode zouden de Sadduceeën zich hebben verbonden met de Samaritanen, en hun canon hebben overgenomen.





Laatst aangepast op maandag, 01 november 2010 13:47
  Geen reacties.
You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)