close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
woensdag, 20 maart 2019
Afdrukken
maandag, 16 november 2009 19:39
Inhoudsopgave
Apocriefen
Alternatieve theorieen
Omvang van de canon
Apocriefe boeken
Alle pagina's

Apocriefen


De canon van het Oude Testament

Oorspronkelijke betekenis van de term 'canon'

Het Griekse woord kanon betekent 'riet[1]'. Dit riet werd gebruikt als meetlat of maatstaf. Vandaar de betekenissen: norm, regel, maatstaf, richtsnoer, model, grens. De Griekse en Latijnse kerkvaders (o.a. Clemens van Rome, I:7:2) pasten de term toe op de geloofsregel en apostolische basisleer die in de kerk gebruikelijk was. Deze leer stond bekend als de ‘geloofscanon’. Uiteindelijk werd de term toegepast op de boeken van de Heilige Schrift die in de kerk algemeen erkend werden: ‘de officieel aanvaarde lijst van boeken’. De vroegste gegevens over dit gebruik van het woord vinden we in decreten van de synode van Nicea (ca. 352 AD.  In het NT gebruikt alleen Paulus – spaarzaam – deze term die later zo algemeen bekend werd in de kerk (Gal 6:16;  Fil 3:16; 2 Kor 10:13-16).


Het begrip ‘canon’

Met het bepalen van de historische betekenis van het woord ‘canon’ zijn we er uiteraard nog niet. We geloven dat het Oude Testament regel en maatstaf van het geloof is. Maar waarom is dat zo? Bezit het werkelijk het gezag dat de kerk er vanouds aan heeft toegeschreven? Hoe hebben de boeken van het Oude Testament deze autoriteit verkregen? Wanneer zijn Joden en later Christenen begonnen goddelijk gezag aan hen toe te schrijven?

Een bespreking van het begrip canon/canoniciteit steunt op de veronderstelling van christelijk theïsme (supernaturalisme). Volgens het eigen getuigenis van de Bijbel zijn alle boeken van het Oude Testament ‘door God geademd’ (2 Tim 3:16) – Gods bijzondere, reddende openbaring. God heeft werkelijk gesproken (Hebr.1:1).

  • Het is niet zo, dat God ‘machtige daden gedaan heeft’ die later door mensen zijn geïnterpreteerd – zodat de Bijbel de door de tijd heen wisselende verzameling van menselijke geschriften over God zou zijn. De woorden van 2 Pet 1:19-21 staan daar lijnrecht tegenover.
  • God heeft gesproken om ons de betekenis van verlossende daden als Uittocht en Kruis duidelijk te maken. Waar Gods Woord werd opgeschreven, werd het Heilige Schrift en bezat het absolute autoriteit. Het was canoniek omdat het Gods geïnspireerde Woord was. Het bezit autoriteit; hoe heeft Israël dit gezag erkend?
  • We krijgen dan vanzelf te maken met de vragen hoeveel boeken geïnspireerd zijn, en waar de precieze grenzen liggen. In 2 Tim 3:16 wordt gezegd dat heel de Schrift door God is geademd. Van belang is hier de vraag wat onder ‘heel de Schrift’ wordt verstaan. Hoorden de apocriefe boeken wel of niet bij deze verzameling en maakten alle canonieke boeken hier wel deel van uit? Had men in die dagen al de voor ons bekende 39 oudtestamentische boeken waaraan noch iets toegevoegd, en waarvan noch iets afgehaald mocht worden? Hiermee hangt ook de vraag samen of in nieuwtestamentische tijd de canon wel of niet afgesloten was.
  • T.a.v. de hoofdlijn zijn de woorden van Jezus als de eeuwige Zoon van God (en daarnaast die van de apostelen) beslissend. Hij geloofde boven elke twijfel dat alle OT boeken het Woord van God waren Joh.10:31-36; Lucas 24:44).

De ontvangst van de canon

Hoe kunnen mensen herkennen welke boeken door God geïnspireerd zijn en dus canoniek, en welke niet? Uit de aard der zaak, omdat God Schepper is en de mens schepsel, kan die mens het Woord van God alleen als zodanig herkennen als God hem daartoe in staat stelt. Gods Geest opent de ogen van mensen om de kenmerken van goddelijke oorsprong te herkennen waarvoor zij vroeger blind waren. Het innerlijke getuigenis (testimonium) van de heilige Geest stelt een mens in staat om de Schrift als werkelijk van God afkomstig te herkennen.

Gods volk herkent dus zijn stem (Joh 10:27a). Zodra dus het OT verscheen, werd het in zijn delen en geheel herkend als het Woord van God. Het bewijs daarvan is hoe Israël met de Schriften omging: het  boek der Wet werd naast de ark van het verbond geplaatst, de priesters moesten het geregeld aan het volk voorlezen, de koning moest een kopie van de wet bezitten, en de ballingschap wordt verklaard als straf op het breken en overtreden van de Wet.

Ook de woorden van de profeten werden als gezaghebbend beschouwd. Zij eisten gehoorzaamheid aan hun woorden als Gods eigen woord en kondigden Gods oordeel aan omdat het volk niet alleen de Wet had overtreden, maar ook de woorden van de profeten in de wind had geslagen. Gods openbaring werd dus door Gods volk als gezaghebbend aanvaard zodra het gehoord werd.

Beckwith e.a. wijzen op de volgende aanwijsbare momenten van canonisering van het Oude Testament en de verschijnselen die gepaard gingen met deze canonisering[2]:

  • De wet wordt door Mozes opgeschreven en met grote nadruk aan het volk gegeven. Het is de tekst van Gods verbond met het volk. Daarom moet het elke 7 jaar voorgelezen worden. Tenslotte worden de 10 geboden en het boek Deuteronomium naast de ark van het verbond in de tabernakel gelegd (Ex 25:16, 21; Deut 10:1-5; 31:24-26).
  • Het verslag van Jozua's verbond met het volk werd in het heiligdom te Sichem gelegd (Joz 24:26).
  • Het exemplaar van de ark, dat het wetboek bevatte, werd aan de tempel van Salomo toegevoegd op het moment van de tempelinwijding (1 Kon. 8:6-9; 2 Kron. 5:7-10)
  • Het vinden van het wetboek in de tempel, gedurende de regering van Josia ( 2 Kon 22:8; 23:2, 24; 2 Kron 34:15,30).
  • Deze handelwijze vertoont opmerkelijke parallellen met gebruiken die bestonden bij Grieken, Romeinen, en zelfs bij de Egyptenaren uit het 3e millennium[3]. M.n. het boek Deuteronomium, maar ook andere delen van de Pentateuch vertonen literaire en inhoudelijke overeenkomsten met verbondsteksten tussen een hoge koning en zijn vazal uit die tijd. Zulke teksten mochten niet gewijzigd worden, er mocht niet aan toegevoegd worden (vgl. Deut 4:2; 12:32), en zij werden ook in het heiligdom bewaard en periodiek voorgelezen om vazal en volk te herinneren aan de termen van het verbond. De wet werd dus direct herkend als het gezaghebbende Woord van God, de hoge koning van Israël.[4] Ook de latere episoden (profeten, Josia, Ezra) wijzen op de eerbied voor deze oude woorden en niet op het eigenmachtig opstellen van een canon.
  • Dit alles lijkt erop te wijzen dat de canonisatie verbonden was met de plaatsing van boeken in de tempel. Dit gebruik zet zich voort in de periode van de tweede tempel.
Het tweede boek van de Maccabeeën begint met een brief van de Joden in Jeruzalem aan de Joden in Egypte, waarin staat: "Deze zaken worden ook verhaald in de geschriften en aantekeningen van Nehemia. Hij heeft bijeenvergaderd de boeken van de koningen en profeten, en de boeken van David, en de brieven van de koningen aangaande de heilige geschenken en heeft een bibliotheek aangelegd. Evenzo heeft Judas (de Maccabeeër) al de boeken, die door de oorlog, welke ons aangedaan was, verspreid waren, bijeenvergaderd en ze zijn weer bij ons" (2:13,14).
Hieruit is te concluderen dat de geschriften eerst door Nehemia en later door Judas de Maccabeeër zijn verzameld. Op het moment van het schrijven bevinden deze geschriften zich in Jeruzalem. De tempel staat hier niet vermeld, maar deze was in de eerste eeuw wel als bewaarplaats van boeken gebruikelijk. Dit wordt onderstreept door het verslag van Flavius Josephus dat bij de verwoesting van de tempel in 70 een exemplaar van de wet uit de tempel werd gehaald.
Beckwith wijst nu op Joodse overleveringen die kunnen worden beschouwd als teruggaand op de 1e eeuw na Chr., waaruit blijkt dat de wet, de profeten en de geschriften toebehoorden aan de tempelverzameling[5]. Ook wijst hij er, mede aan de hand van deze tradities, op dat deze verzameling zo'n gezag had gekregen dat het niet meer toegestaan was nieuwe afschriften van deze boeken te brengen of om exemplaren van nieuwe boeken te brengen.
In OT tijden was er geen algemene vergadering of synode die uitdrukkelijk verklaarde dat het OT goddelijk gezag had. Voor christenen is het positieve getuigenis van Jezus beslissend. Tussen Hem en de Farizeeën  bestond geen verschil van mening over de autoriteit van het OT, wel over het gezag van de traditie die zij eraan toevoegden.
Concluderend: Het begrip canoniciteit is zeer oud, en de boeken van de Heilige Schrift zijn vanaf het eerste moment als zodanig herkend. Met de woorden van de 18e eeuwse Duitse theoloog Löscher:

Er bestonden vanaf de dagen van Mozes canonieke boeken, op grond van hun innerlijk licht en waardigheid vanaf hun allereerste verschijnen als goddelijk gewaardeerd.[6]



Laatst aangepast op maandag, 01 november 2010 13:47
  Geen reacties.
You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)