close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
zaterdag, 21 september 2019
PDF Afdrukken
dinsdag, 17 november 2009 16:08

Dateringsproblemen

 

Vroege datering en herziene chronologie

Dit onderdeel is nog in opbouw (voorzien eind mei 2010).


Late datering

  • De late datering plaatst de Exodus rond 1260 ten tijde van Ramses II. Exodus 1:11 noemt Raämses als een van de voorraadsteden die met Hebreeuwse dwangarbeid gebouwd wordt. De naam van de stad suggereert een verbinding met Ramses. Van hem is bekend dat hij grote bouwprojecten uitvoerde in de delta en daarbij vele 'Habiru' inschakelde. Zijn nieuwe hoofdstad was dicht bij de delta en de streek Gosen.
  • Het getal van 480 jaar uit 1 Kon 6:1 kan in deze visie symbolisch genomen worden: 12 generaties van elk 40 jaar (Ps 95:10). In werkelijkheid duurt een generatie eerder ongeveer 25 jaar en komen 12 generaties dus uit op zo'n 300 jaar. Terug rekenend vanaf het begin van de tempelbouw (966), komt men dan uit op ca. 1266 voor Christus.
  • Archeologische aanwijzingen suggereren de mogelijkheid dat Edom en Moab pas in de 13e eeuw opkwamen als sterke koninkrijken waar de Israëlieten liever omheen trokken.
  • Tenslotte zijn er archeologische sporen dat veel Kanaänitische steden kort voor 1200 werden geplunderd en verbrand. Sommige werden nadien nooit meer bewoond, andere geleidelijk bezet door een veel eenvoudiger cultuur. Maar volgens het boek Jozua zijn alleen Jericho, Ai en Hazor verbrand. De brandsporen kunnen binnen de vroege datering verklaard worden uit invallen van Filistijnen of Ammonieten.
 

 

Vier belangrijke argumenten voor een late datering - en tegenwerpingen

  • De verbinding van de stad Raamses (Pi-Ramesse) in Ex 1:11 met de naam van Ramses II (1304-1237/1279-1213). Er zijn in Pi-Ramesse echter ook sporen gevonden van bouwwerken uit de tijd van Thutmoses III; de naam Raamses kan een anachronisme zijn n.a.v. de latere bloei van de stad onder Ramses II.

  • De klaarblijkelijke afwezigheid van een agrarische beschaving, steden of fortificaties in Transjordanië gedurende de 14e eeuw (Nelson Glueck). Er kunnen dus geen sterke Edomitische, Moabitische of Ammonitische koninkrijken zijn geweest die Israëls opmars in de weg stonden. Latere opgravingen hebben deze leemte in onze kennis opgevuld (Franken, Bimson, Yamauchi).

  • Discrepanties tussen Amarna brieven en Hebreeuwse verslagen: de koning van Jeruzalem schrijft dat zijn stad wordt bedreigd; zij werd echter eerst ingenomen door David. Maar Jozua versloeg haar leger en doodde haar koning (Joz 10).

  • Er werd eerder geen bewijs gevonden dat Thutmoses III (1504-1450/1479-1425) begon te bouwen in de Delta. Zulk bewijs is inmiddels echter wel aangetroffen in Heliopolis (2 obelisken) en Memphis. Hij moet daar militaire installaties hebben gehad voor zijn frequente Aziatische campagnes. Hij wordt nu ook beschouwd als degene die een begin maakte met de bouw van een bakstenen citadel en opslagplaatsen in Tell el-Dab’a, dat later Pi-Ramesse werd genoemd. Zijn zoon Amenhotep II verbleef er blijkbaar gedurende lange perioden. Volgens velen was Tell el-Dab'a het hedendaagse Qantir. Op dezelfde locatie hadden de Hyksos eerder hun hoofdstad Avaris.


 

Overige argumenten voor een vroege datering

  • Tegen deze datering pleit ook de stele van Merneptah, die ca.1229/1207 Israël in Kanaän noemt in een opsomming van verslagen vijanden.

  • Thutmoses III past in alle beschrijvingen van de farao van de onderdrukking (regering van 54 jaar, karakter). Zijn zoon Amenhotep II (1450-1425/1427-1400, van de Exodus) voerde voor zijn 7e jaar geen oorlog. De volgende farao, Thutmoses IV (1425-1417/1400-1390), liet een ‘droomstele’ na, waarop hij aangeeft dat hij de troon erfde ook al was hij niet de oudste zoon. Koningen in Kanaän schrijven dat na zijn bewind landen verloren gingen aan de ‘apiru. Onder Amenhotep III (1417-1379 resp. 1390-1352) leek er rust en stabiliteit te zijn, maar Egypte’s controle in de regio verzwakte. Er was onder zijn bewind weinig militaire activiteit in Syro-Kanaän.

  • Ramses II liet bouwprojecten uitvoeren midden in ‘Gosen’. Er moeten dus Egyptenaren hebben gewoond. Volgens het boek Exodus was dat niet het geval in de dagen van Mozes.

  • Garstang dateerde de verwoesting van Jericho (D/IV) op ca.1400. Opgravingen in Lachish en Bethel tonen sporen van verwoesting ca.1200. Dat is geen probleem: Jozua vertelt dat alleen Jericho, Ai en Hazor bij de verovering werden verwoest en verbrand.

  • Dat Richteren zwijgt over militaire campagnes van Seti I en Ramses II is te verklaren. (a) Een datering van de Exodus ca. 1290 zou dit probleem oplossen, maar een nieuw scheppen met Merneptah’s stele (zie boven). Bovendien noemt Richteren ook geen latere Egyptische campagnes. Een mogelijke verklaring is dat de twee weinig contact hadden: de Israëlieten woonden in het bergland, de Egyptenaren trokken door de vlakte. (b) Garstang heeft een synchronisme uitgewerkt tussen perioden van Egyptische expansie en ‘rust’ in Richteren. Egyptische overmacht hield de agressieve Kanaänieten in bedwang. (c) De geschiedschrijving van Richteren is theologisch bepaald en selectief. Ook elders zien we dat: Achabs rol in de belangrijke slag bij Qarqar (853) wordt in het OT helemaal niet vermeld.

 

Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:13
  Geen reacties.
You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)