close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Afdrukken
dinsdag, 17 november 2009 17:41

Aposteltijd


De eerste Joods-christelijke gemeente in Judea (27 - 40 na Chr.)

De oudste kerkgeschiedenis wordt verhaald in het boek Handelingen.  De eerste christenen waren vrijwel zonder uitzondering joden. Het centrum van de kerk was de gemeente in Jeruzalem. Omdat zij Jezus als Messias en Zoon van God beleden, werden zij van tijd tot tijd door hun volksgenoten vervolgd.  Dit was de situatie in de eerste veertien na Jezus' sterven, opstanding en hemelvaart.

Vanaf 40 na Christus breidde het christendom zich sterk uit naar Samaritanen en heidenen. Onder druk van de vervolging trokken veel joodse christenen weg naar de omliggende streken en naar andere joodse concentraties in omringende landen. Kennelijk hebben vooral de hellenistische joden Jezus' voorbeeld van openheid voor zondaren en dus ook niet-joden overgenomen. Zoals hij at met tollenaars en zondaren, zo deelden zij hun maaltijden ook met mensen die orthodoxe joden vermeden. In hun midden waren Christusgelovige jodengenoten (proselieten) op voet van gelijkheid welkom. Via deze proselieten verbreidde het christendom zich in de heidense wereld. Dat laatste gebeurde vooral na de uitzending van Paulus vanuit Antiochië.

 

Aanvankelijk werden christenen beschouwd als een joodse sekte. Omdat het Jodendom een erkende godsdienst (religio licita) was, bood dat enige bescherming. Maar de vervolging nam toe naarmate het de Romeinen duidelijk werd dat het Christendom meer was dan een onderdeel van het Jodendom. De Joden hadden officieel vrijstelling van de keizerverering. Voor de Romeinse overheid was die essentieel voor de eenheid van het Imperium. Weigering werd niet beschouwd als een zuiver godsdienstige daad, maar als landverraad.  Christenen weigerden offers te brengen aan een mens. Daarvoor hadden ze hun leven over.

Een korte, maar heftige vervolging ontbrandde in Rome onder Nero na de grote brand van 64 na Christus. Misschien was die brand door de keizer zelf aangestoken en schoof hij de schuld af op de christenen. In ieder geval werden zij beschouwd als staatsvijanden en vijanden van de mensheid. Waarschijnlijk zijn Petrus en Paulus in deze vervolging als martelaars gestorven (68 A.D.).


Verbreiding van het Christendom door de Grieks-Romeinse wereld: de zendingsreizen

De Handelingen der apostelen geven een heel selectief beeld van de verbreiding van het Christendom. Niets wordt verteld over apostelen in Afrika of Azië. Met weinig omwegen wordt verteld hoe de boodschap van Gods koninkrijk van het centrum van het Jodendom (Jeruzalem) het centrum van de heidense wereld (Rome) bereikt, en de gemeenschap van christenen ingrijpend verandert van identiteit: van overwegend joods naar overwegend heidens.

De schrijver spant zich in om de gelijkwaardigheid tussen twee epigonen aan te geven: Petrus voor de joodse christenen, en Paulus (zelf joods) voor de christenen uit de heidenen. De geschiedenis van Paulus' zendingsreizen, en de brieven die hij op die reizen schreef, laten zien hoe moeilijk beide groepen het vonden elkaar te aanvaarden als medeburgers in het koninkrijk van God.


 

Groeiende vervolging

Een tweede periode van vervolging volgde waarschijnlijk onder Domitianus rond 90 na Chr., die aanbidding als god eiste. De ballingschap van Johannes op Patmos hing hier mee samen. Johannes meldt dat hij op Patmos is vanwege het getuigenis van Jezus. De beelden in de eerste drie hoofdstukken passen goed bij bekende symbolen en historische situaties uit deze tijd. De Openbaring is eerst en vooral bedoeld als bemoediging voor de vervolgde christengemeenschappen.

Met Johannes' dood rond 96 na Christus eindigt de apostolische periode. De leiding in de plaatselijke gemeenten berust bij oudsten of opzieners (Gr. presbuteroi, episkopoi) en diakenen. Rondtrekkende profeten en leraars onderwijzen de verspreide huisgemeenten; onder hen helaas ook valse leraars (2 en 3 Johannes).


 

De Joodse Oorlog (66-70 AD)

In het jaar 66 komen de opgekropte spanningen in Judea tot een uitbarsting. Als een Romeins leger wordt verslagen, lijkt zeker dat de tijd van het einde en van Gods ingrijpen zijn aangebroken. De opstand, aangewakkerd door Messiaanse verwachtingen, wordt algemeen.

Romeinse legioenen onder bevel van Vespasianus trekken zich samen en roeien vanuit Galilea verzetshaarden uit. In de zomer van 70 slaat hij het beleg voor Jeruzalem. Drie maanden later valt de stad in handen van zijn zoon Titus. De stad wordt verwoest, de tempel verbrand, ca. 1 miljoen Joden gedood of slaaf gemaakt.

verwoesting_vd_tempel_Francesco_HayezNa de vernietiging van Jeruzalem worden de overgebleven verzetshaarden een voor een opgerold. De laatste Joodse vesting, Masada, valt in 73 A.D. De 900 verdedigers, Zeloten en Essenen uit Qumran die hier de laatste grote strijd in zien tussen de zonen van het licht en die van de duisternis, en die wachten op ingrijpen van Gods hemelse legers, plegen tenslotte liever zelfmoord dan slaaf te worden.

MASADA_N
Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:22
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)