close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Afdrukken
woensdag, 18 november 2009 09:58

Gods Koningschap in het Oude Testament

 

Het koningschap in Israël

Het Israëlitische koningschap kwam op onder druk van de Filistijnse agressie. Saul werd gezalfd tot eerste koning van Israël na een periode van door God aangesteld charismatisch leiderschap. Na hem werd David eerst koning van Juda en toen van heel Israël. Om de eenheid van het koninkrijk te bezegelen, verplaatste hij zijn hoofdstad van Hebron in het stamgebied van Juda naar het pas veroverde Jeruzalem – een centraal gelegen Kanaänitische enclave in het stamgebied van Benjamin. Deze keuze van een locatie in de kleinste stam minimaliseerde de dreiging van een machtsstrijd tussen de stammen. Zij zorgde ook voor een mate van continuïteit omdat Benjamin de stam was van de gesneuvelde koning Saul.

Het Davidische verbond (2 Sam 7:11-16; cf. 23:1-7) werd de religieuze legitimatie van zijn koningshuis. Dat gaf stabiliteit aan de nieuwe politieke eenheid. In tegenstelling met de omringende culturen lag de monarchie niet aan de basis van de godsdienst van Israel, maar ontstond later. De koning was het voorwerp van goddelijke beloften, kon zelfs Gods (aangenomen) zoon genoemd worden (2 Sam 7:14; Ps 2; 20; 45; 72; 101; 110; 132). Maar nooit werd hij vergoddelijkt zoals aan de hoven van Egypte en Babylon.

Gods koningschap – tegenwoordig en toekomstig

Als Schepper heerst God altijd over alles en iedereen - gewillig, rebellerend of onwetend (Ps 10:16; 29:10; 145:8-13; 103:19-22; 1 Kron 29 :11,12; Dan 4 :34; Jes 6; Ezech 1; Dan 7). Maar deze wereld is niet zoals God haar hebben wil. Het lijkt vaak alsof Hij geen koning is. Ook Jezus bidt: “Laat Uw koninkrijk komen ..” (Matt 6:10, toekomst). Hetzelfde verlangen spreekt uit Dan 2:44 en Ps 96-98. Ook de Openbaring (o.a. 11:15-18) kijkt naar dat koninkrijk uit.

Als Schepper is God de rechtmatige koning van heel de wereld. Hij heeft Adam aangesteld als zijn rentmeester (‘beeld en gelijkenis’). Door de zondeval is Adam geen ‘koning’ meer, maar slaaf (van satan/zonde). Het Hebreeuwse [v;P, betekent niet alleen ‘zonde’ maar ook ‘rebellie, opstand’. Door Adams rebellie tegen God is satan nu de vorst van deze wereld (o.a. Ef 2:1v; Luc 4:6). De lijn vanaf Adam gaat bergafwaarts (val-vloed-volken, Gen 1-11).

God maakt een nieuw begin met Abram (Gen 12:3). Hij belooft hem een naam, volk (zaad), land, zegen, verbond,land (Gen 15:7). Eén man/volk wordt uitgekozen om alle volken bij God terug te brengen (Ex 15:18; 19:6; Deut 7?). Een voorpost van het koninkrijk, een kolonie van de hemel op aarde).

Uit Abram zouden koningen voortkomen (Gen 17). In Gen 49:10 wordt de belofte toegespitst op Juda; uit hem komt 'Silo' voort - 'Hij die er recht op heeft'. In 2 Sam 7:14 belooft God aan Davids Zoon het koningschap, met tijdelijke en eeuwige beloften. Maar boven de Davidische koningen staat altijd God (1 Kron 28:5).


Schepping, Koningschap en Verbond

Voor en boven de monarchie wordt Gods koningschap erkend in het OT. Het boek van de Psalmen prijst vaak Gods heerschappij over zijn schepping (bijv., 47:3), Israël (bijv. 48:3) en hun geschiedenis. Terwijl veel psalmen het eeuwige of tijdloze karakter van Gods heerschappij benadrukken (bijv. 93:1; 99:1; 103:19; 145:13, en 146:10), bevatten andere elementen van eschatologische hoop (bijv. 96:10,13; 97:5-6; 98:9). Met andere woorden, sommige spreken van de tegenwoordige realiteit, andere van de komst van het koninkrijk. Hoewel God Koning is, moet Hij ook Koning worden – Hij moet zijn koningschap in de wereld van mensen en naties manifesteren. De laatstgenoemde gedachte van Gods komende heerschappij is vooral te vinden in de latere boeken van het Oude Testament, en speciaal in de profeten. Dit is begrijpelijk tegen de achtergrond van Israëls verbondsbreuk en dus het verspelen van de bijbehorende zegeningen. Vanzelfsprekend zouden profeten in zulke tijden van verval en morele chaos vooruit kijken naar de eschatologische verwerkelijking van Gods beloften.

Maar de basis van Gods aanspraak op het koningschap wordt gelegd in de verhalende boeken, vooral in poëtische verbanden. Zoals Meier het verwoordt, “Yahweh made himself Israel’s king by fighting for it as a divine warrior against the Egyptians en delivering it at the Reed Sea.” (J.P. Meier, Marginal Jew, 2.245.) Mozes’ verlossingslied besluit met de uitroep dat “de HERE regeert voor altoos en eeuwig” (Ex 15:18). Dit is het vroegste bijbelse gebruik van deze metafoor. Gods koningschap wordt bezegeld in het Sinaïtische verbond, waar God zijn volk weer bezoekt en Israël een ‘koninkrijk van priesters’ wordt (Ex 19:6). Bileams orakels en Mozes’ laatste zegen (Num 23:21; Deut 33:5) spreken ook van God als Israëls koning.

Maar nog voor de geweldige ervaringen van de Exodus en Sinaï liggen de wortels van de idee van Gods koningschap in de tijd van de aartsvaders. Verbondsvormen en rituelen (Gen 15, 17), landbeloften (15:18; 17:8; 28:13), koninklijke beloften (17:6; 35:11) en bewijzen van Gods soevereiniteit over Egyptische of Kanaänitische koningen impliceren allemaal een concept van God als hoge koning. Uiteindelijk is Hij Koning omdat Hij de Schepper is. Al voor de roeping van Abram en het sluiten van een verbond met hem en zijn nageslacht is God al drie keer neergedaald om de zonde te oordelen. Nu richt zijn koningschap zich op Israël, terwijl het een universele notie houdt (Gen 12:1-3).

De structuur van het boek Deuteronomium weerspiegelt een Hethietisch soevereiniteitsverdrag uit het tweede millennium voor Christus. Het geeft aan dat de HERE werd beschouwd als Israëls grote Koning. Deze gekozen vorm onderstreept dat Israel zojuist was verlost uit de slavernij in Egypte. In het Sinaïtische verbond onderwierpen zij zich niet aan Egypte of Hatti, maar aan de ene soevereine God.

Gods koningschap betekende dat ere en spanning ontstond toen Israël probeerde een monarchie in het Beloofde Land te vestigen ten tijde van Saul. Deze spanning werd opgelost toen David nederig handelde als Gods onderkoning en zo ook over zijn zoon Salomo sprak: “Uit al mijn zoons (…) verkoos Hij mijn zoon Salomo om te zitten op de troon van het koningschap des HEREN over Israël” (1 Kron 28:5). In het Davidische verbond beloofde de HERE aan David voor hem een huis te bouwen dat voor altijd zou duren – zijn nakomelingen zouden altijd op zijn troon zitten (2 Sam 7:11-16).


Verbroken verbond en komend Koninkrijk

Hoe meer Davids opvolgers tekort schoten in het naleven van het Davidische ideaal, en hoe meer de historische ontwikkelingen op gespannen voet leken te staan met Gods koningschap, hoe meer nadruk werd gelegd op de komst van het koninkrijk in de toekomst. Er is een waarneembare ontwikkeling van enkele vroege aanduidingen in Gen 49:10-12; Num 24:3vv., 17vv.; Deut 33:13vv. naar talrijke duidelijke uitspraken in de pre-exilische en latere profeten. De komst van het koninkrijk is “het middelpunt van heel de Oudtestamentische heilsbelofte” (Ridderbos). Zijn vestiging is het uiteindelijke doel van de Dag des Heren, wanneer Hij komt om de goddelozen te vernietigen en zijn rechtvaardig overblijfsel te redden. Die Dag omvat de inzameling van de verspreide joodse ballingen en de laatste grote strijd tussen de machten van de gerechtigheid en die van het kwaad, de oordeelsdag, de komst en regering van de Messias, de opstanding der doden en het inluiden van een paradijselijke staat van vrede en gerechtigheid.

 

De komst van Gods heerschappij en de hoop op een Davidische koning

De profetie van het Davidische verbond werd basis van de hoop op een eschatologische koning die de HEER werkelijk zou dienen (bijv. Jes 32:1; Jer 23:5 cf. 33:21; Ezech 37:22-24; Zach 9:9). In Egypte noch Babylon wordt een vergelijkbare verwachting van een eindtijd-verlosser gevonden. Zij is uniek voor Israël. Deze profetieën spreken van een tijd wanneer er geen oorlog meer zal zijn, vrede en voorspoed zijn hersteld, Israël en Juda herenigd, wanneer ballingen terug zullen keren en verlossing wereldwijde dimensies zal hebben. De nadruk ligt niet zozeer op de persoon van de toekomstige koning, maar op het feit dat hij het Davidische ideaal zal realiseren dat geen historische koning ooit vervulde. Dit koninkrijk van God wordt ingeluid door de Dag des Heren wanneer Hij komt om de wereld te oordelen en de zijnen te rechtvaardigen. Die dag en het koninkrijk behoren in wezen tot deze wereld. Maar we vangen een paar glimpjes op van een eeuwig koninkrijk op een vernieuwde aarde na een universele dag van oordeel.

Toen het huis van David, zelfs zijn beste zoons (zoals Uzzia en Hizkia), faalde en werd terug gebracht tot een stronk, voorspelde de profeet Jesaja de vernietiging van zijn vijanden en het uitlopen van een scheut die een tijdperk van vrede en gerechtigheid zou brengen (Jes 7:10-14; 9:1-7; 11:1-5 cf. 32:1). Over de ballingschap heen werd de profetie uitgesproken: Uw God is Koning (Jes 52:7; cf. 41:21; 43:15; 44:6). Zoals de HEER zijn koningschap over Israël vestigde door hen uit Egypte te leiden, zo zou Hij hen uit de Babylonische ballingschap leiden in een tweede exodus (cf. Jes 43:1-21; 44:6; 63:11-14). Hij zou zijn koninklijke macht aan alle volken tonen door zijn verspreide volk te verzamelen en te herenigen in een hersteld en gereinigd Jeruzalem. Soms wordt dit eschatologische koningschap geplaatst in een apocalyptische context (bijv. Jes 24:23; 33:22). Jes 25-26 geeft een uniek beeld van het koninkrijk als een banket dat God aanricht voor de volken, wanneer de dood voor altijd verzwolgen wordt (25:6vvf.). Jes 65-66 vertelt dat God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal scheppen (65:17; 66:22) met paradijselijke trekken (65:25), en zijn volk en aanbidders uit alle naties zal verzamelen in een hersteld Jeruzalem na een laatste strijd tegen de goddelozen.

Ten tijde van de laatste Babylonische belegering van Jeruzalem spreekt Jeremia in krachtige bewoordingen van Gods koningschap. Hij alleen is de eeuwige Koning van de volkeren (8:19; 10:7,10; cf. 46:18; 48:15; 51:57). De dreigende verwoesting is zijn rechtvaardige oordeel over Juda’s ontrouw aan het verbond. De hoofdstukken 30-33 staan vol beloften dat de HEER de twaalf verspreide stammen zal herenigen in het land van hun vaderen. Daarmee nauw verbonden is de belofte van een Davidische koning die zal regeren over het herstelde volk (30:8-9, 21; 33:14-26; cf. 23:1-8).

In dezelfde tijd, maar al weggevoerd in ballingschap, spreekt Ezechiël op soortgelijke wijze van de HEER als koning van Israël (20:33) in de context van een beloofde nieuwe exodus en oordeel. Hij zal zijn verloste volk regeren door een Davidische vorst die wordt verbeeld als een rechtvaardige herder (17:22-24; 34:23-24; 37:15-28). Soortgelijke uitingen van hoop dat YHWH als koning zal regeren in een hersteld Jeruzalem worden her en der in de kleine profeten verwoord (bijv. Oba 21; Mic 2:12-13; 5:1-3; Zef 3:15; Zach 9:9-10). Zacharia beschrijft Hem als een goddelijke strijder die vecht ten behoeve van zijn volk (14:1-7). Na een apocalyptische strijd regeert Hij over alle volken vanuit Jeruzalem en zij komen jaarlijks op bedevaart om Hem schatting te brengen (14:8-11, 16-19).

Gods heerschappij over de koninkrijken van de aarde is het grote thema van het boek Daniël. In apocalyptische termen beschrijft hij hoe de heidense volken worden verslagen en Gods eeuwige koninkrijk wordt gevestigd zonder menselijke interventie (2:34, 45). Zoals in Jesaja’s ‘kleine apocalyps’ (Jes 26:19) worden deze gebeurtenissen van de laatste dagen verbonden met de opstanding van individuele gelovige Joden. Zij zullen voor eeuwig leven in heerlijkheid, terwijl de goddelozen opgewekt zullen worden tot een eeuwig oordeel (12:1-3, 13).


Gods heerschappij en de Messias in het Oude Testament

Heel af en toe  werd in de geschriften van het Oude Testament de verwachte Verlosser-koning ‘Messias’ genoemd. In het Jodendom wordt de Messias omschreven als de koning die in de laatste dagen over Israël zal regeren. Het woord ‘Messias’ is afgeleid van het Hebreeuwse mashiach (‘gezalfde’). In bijbels gebruik verwijst dit woord naar elke persoon die een goddelijk ambt is opgedragen (bijv. koningen, priesters, profeten); eenmaal wordt het zelfs toegepast op een heidense koning, Cyrus van Perzië (Jes 45:1). Buiten de Pentateuch (waar het verwijst naar de hogepriester), verwijst het meestal naar de Davidische koning. Het meest opmerkelijke Messiaanse gebruik is mashiachu in Ps 2:2. De Messiaanse koning is Gods zoon en zal als ‘zijn gezalfde’ regeren over de hele aarde.

Opmerkelijk genoeg wordt het woord maar twee keer gebruikt in een eschatologische context (Dan 9:25,26). Met uitzondering van Jes 45:1, Dan 9:25-26 en Hab 3:13 (dat de gevangenneming van een Davidische koning beweent) wordt de Messias niet genoemd in de profeten. Er zijn echter enkele belangrijke profetieën over een toekomstige Davidische koning die het woord mashiach niet gebruiken. Dat zijn o.a. Jes 7:14; 9:1-6; 11:1-9; Mic 5:1-3; Jer 23:1-4; Ezech 17:22-24; 34:23-24; 37:24-25 en Zach 9:9-10. Deze profetieën spreken van een tijd wanneer er geen oorlog meer zal zijn, vrede en voorspoed hersteld zijn, Israel en Juda herenigd, wanneer ballingen terug zullen keren en verlossing wereldwijde dimensies zal hebben. De nadruk ligt niet zozeer op de persoon van de toekomstige koning, maar op het feit dat hij het Davidische ideaal zal realiseren dat geen historische koning (inclusief David, Salomo en Hizkia) ooit vervulde.

Er zijn verschillende visies over de rol van de Messias in het inluiden van het koninkrijk. Beasley-Murray stelt dat algemeen gesproken de HEER het koninkrijk sticht en de heerschappij geeft aan de Messias. Maar in passages als Ps 2, Jes 9:5-6 en 11:1-4 strijdt de Messiaanse koning actief tegen goddeloze volken en vestigt het koninkrijk. N.T. Wright noemt strijd zelfs een van de centrale symbolen van de koninklijke roeping van de Messias. Inderdaad ontbreekt de Messias in veel profetieën waar God het koninkrijk vestigt. Maar het koninkrijk was een breed concept, een krachtig symbool dat vele associaties oproept. Zo’n diep symbool vertelt een verhaal dat vele malen in steeds andere vormen en met verschillende nadruk verteld kan worden.

Pas gedurende de latere ontwikkeling van de joodse eschatologie werd mashiach een technische term voor de langverwachte, door God aangestelde Davidische koning die zou regeren over een nieuwe gouden eeuw. De profeten hadden in hun kritiek op eigentijdse koningen hen soms vergeleken met de ideale, rechtvaardige Davidische koning. In de periode na de ballingschap ontwikkelde dit ideaal zich tot de verwachting van ‘de gezalfde’ par excellence die Israëls vijanden zou vernietigen en een paradijselijke regering van vrede en voorspoed zou vestigen.


Gods heerschappij en de Mensenzoon

De uitdrukking ‘de mensenzoon’ komt meer dan tachtig keer voor in het Nieuwe Testament, bijna uitsluitend in de vier evangeliën - en daar met slechts twee uitzonderingen in uitspraken van Jezus over hemzelf. Blijkbaar vond Hij dit een belangrijke en passende titel die op een de een of andere wijze uitdrukte met welk doel Hij kwam en hoe Hij gekend wilde worden. Opmerkelijk genoeg (en dit bevestigt zijn authenticiteit als zelfaanduiding van Jezus) werd de titel bijna nooit gebruikt in de vroegste kerk. Vanaf het begin werd Jezus gepredikt als Christus en Heer, maar niet als de ‘mensenzoon’. Het enige voorkomen van de uitdrukking buiten de evangeliën is in Stefanus’ laatste woorden (Hand 7:56). De vroege kerkvaders zagen de titel als de wederhelft van ‘de Zoon van God’, die Jezus’ menselijke natuur benadrukte en zijn vernedering uitdrukte. Daarentegen gebruikten sommige Joodse groepen tegen het einde van de eerste eeuw A.D. de uitdrukking ‘mensenzoon’ om een hemels wezen aan te duiden, een Messiaanse persoon, aan wie het gezag werd gegeven om over de wereld te heersen en het laatste oordeel te voltrekken. Dit beeld is ontleend aan Dan 7:13-14 en is te vinden in laat 1e-eeuwse pseudepigrafische en apocriefe geschriften zoals de Gelijkenissen van Henoch in 1 Hen 37-71 en 2 Esdr 13:3.

De uitdrukking ‘zoon van’ is een typisch Semitisch idioom, dat een persoon met iets of iemand verbindt. Een ‘mensenzoon’ (Hebr. bar adam) is dus iemand die verbonden is met de mensheid, dus: een ‘mens’. In het Aramees dat in Jezus’ dagen gesproken werd, was de uitdrukking bar nash heel normaal idioom dat kon worden gebruikt om het persoonlijk voornaamwoord van de eerste persoon te omschrijven. Het was geen verheven titel maar een normale spreekwijze, die overeen kwam met ‘ik’, ‘iemand’. In sommige gevallen resulteert dit gebruik in een evangeliepassage in een plausibele en interessante lezing. Maar in de meeste voorkomens van 'mensenzoon' in de evangeliën voldoet verwijzing naar dit Aramese idioom niet. In veel gevallen is het overduidelijk een verheven titel, die zijn connotatie ontleent aan Dan 7:13:

In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid.

In contrast met de woeste dieren die uit de zee opkomen, komt ‘iemand als een mensenzoon’ met de wolken van de hemel. Hij wordt voor de Oude van dagen geleid en ontvangt eeuwig koningschap, heerschappij en heerlijkheid. Maar een paar verzen later zijn het de heiligen van de Allerhoogste (7:18, 22), of het volk van de heiligen van de Allerhoogste (7:27) die het koningschap verkrijgen. Het lijkt dus natuurlijk om de ‘mensenzoon’ te vereenzelvigen met het joodse volk, of zelfs met de engelen (4:17). Op zich genomen lijkt het onmogelijk om met zekerheid vast te stellen of deze tekst slaat op hemelse of aardse wezens, of beide.[42] Vanuit de context moeten we tegen het volk als engelen opmerken dat de kleine hoorn de heiligen onderdrukt en overwint; voor een tijd worden ze in zijn macht gegeven (7:21,22,25).[43] Bovendien zijn engelen al eerder in het visioen genoemd; zij zijn de duizenden duizentallen die de Oude van dagen dienen. Een van hen legt aan Daniel uit dat de heiligen van de Allerhoogste het koningschap zullen ontvangen. Dat impliceert dat engelen en heiligen niet dezelfde zijn.

Het individuele en collectieve loopt in het visioen wat in elkaar over. Zelfs de beesten worden zowel koningen als koninkrijken genoemd (7:17,23). Dan kan ook deze ‘mensenzoon’ zowel de vertegenwoordiger zijn, als het volk van zijn koninkrijk.[44] De Hebreeuwse termen enash en adam, en de gelijkwaardige Aramese termen duiden het collectief van de mensheid aan. Het Aramese bar enash benadrukt in deze context de menselijkheid van de persoon (‘iemand als een mens’). Toch is hij alleen ‘als’ een mens, zoals de andere karakters in het visioen ‘als’ beesten waren. De uitdrukking bar enash kan dus zowel duiden op de mensheid zoals God die bedoelde, als op zijn vertegenwoordiger. Als de onmenselijke, beestachtige machten vernietigd zijn, wordt de eeuwige heerschappij tenslotte in de handen van de ware mensheid gegeven [45]: het volk van de heiligen van de Allerhoogste, dat vereenzelvigd wordt met de ‘mensenzoon’.[46] Veel Joden in de dagen na de ballingschap zullen Dan 7 gelezen hebben als Gods belofte dat Hij op een dag zijn volk Israel zou rechtvaardigen en alle andere volken aan hen zou onderwerpen.

Het lijkt echter of de ‘mensenzoon’ in Dan 7 meer is dan de literaire representant van zijn volk. Hij ontvangt eeuwige koninklijke macht en alle volken dienen (xl;p.) hem. Verse 27 is duidelijk parallel en lijkt hetzelfde te zeggen van het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Zo geeft het de laatste verklaring van de raadselachtige ‘mensenzoon’:

Het koningschap, de heerschappij en de grootheid van alle koninkrijken onder de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de hoogste God. Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen hem dienen en gehoorzamen.”

Goldingay[47] en de NBG vertaling van 1950 beschouwen ‘het volk’ (am) als lijdend voorwerp van ‘de machten dienen’. Dat is grammaticaal mogelijk, maar toch onwaarschijnlijk: de andere negen keer dat het werkwoord palach in het Bijbelse Aramees voorkomt, refereren aan een vorm van godsdienstige aanbidding.[48] In het grotere verband van het hele boek Daniel, dat zoveel nadruk legt op het aanbidden van God alleen, ligt het meer voor de hand dat de Allerhoogste en niet het volk gediend en gehoorzaamd wordt door alle machten. Dit betekent dat de ‘mensenzoon’ en de Allerhoogste in vss.14 en 27 vrijwel aan elkaar gelijk gesteld worden. Voor de oorspronkelijke lezers moet dit raadselachtig geweest zijn. Mogelijk verklaart dit waarom latere niet-canonieke geschriften een soortgelijke figuur ‘Gods Zoon’ noemen.[49]

Zelfs al is ‘mensenzoon’ in deze context geen verheven titel, toch is de aldus aangeduide persoon een werkelijk eschatologische messiaanse figuur. Het is goed te begrijpen hoe latere joodse apocalyptische geschriften deze uitdrukking begonnen te gebruiken als een messiaanse titel die de hoop opriep dat Israel eenmaal gerechtvaardigd zou worden. De aanduiding als ‘mensenzoon’ mag dan nieuw zijn, maar de verwachting van een hemelse Verlosser-koning als zodanig is geen ontwikkeling van na de ballingschap uit de gefrustreerde hoop op een aards koninkrijk. Flikkeringen van die hoop zijn al te vinden in Mic 5:1-4 en Jes 9:5-6.

 

Conclusie

Het thema van Gods koningschap is aanwezig in vele, zo niet de meeste genres en vormen in het Oude Testament. Niet alleen dat is indrukwekkend, maar ook dat het opduikt op cruciale momenten in Israëls geschiedenis - zoals hun uitredding bij de Rode Zee, de verbondsluiting bij de Sinaï, en de intocht in het beloofde land. Het is geen groot onderliggend thema dat het hele Oude Testament nadrukkelijk samenbindt, zoals ‘belofte’ of ‘verbond’. Maar speciaal in de latere stadia van het Oude Testament wordt het een belangrijke uitdrukking van deze fundamentele thema's. Zijn boodschap wordt steeds meer (maar niet uitsluitend) gebracht in eschatologische en apocalyptische termen.

Het Oude Testament bood Jezus een veelzijdig concept met dimensies van eeuwigheid, heden en toekomst, en connotaties van macht, oordeel en (in toenemende mate) barmhartigheid. Er is dus continuïteit, maar Jezus is ook  radicaal anders in zijn veelvuldig gebruik van de uitdrukkingen ‘het koninkrijk van God’ en het ermee verbonden ‘mensenzoon’.

In de eeuwen na de ballingschap groeiden en veranderden de verwachtingen van het koninkrijk. De Apocriefen, Pseudepigrafen en geschriften van Qumran uit deze periode weerspiegelen varianten van het joodse wereldbeeld van Jezus’ tijdgenoten, ten opzichte van wie hij zowel in continuïteit als discontinuïteit staat.

 


Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:18
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)