close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018

Polls

Welke uitspraak komt het dichtst bij je eigen opvatting over ontstaan en ontwikkeling van de mens?
 
Afdrukken
woensdag, 18 november 2009 10:27

Het koninkrijk en de kerk

Jezus verkondigde het koninkrijk en verzamelde discipelen om zich heen. Hij zond zijn discipelen erop uit met dezelfde boodschap: het koninkrijk is nabij gekomen. Die boodschap bleven de apostelen verkondigen tot het einde van het boek Handelingen (8:12; 19:8; 20:25; 28:23, 31). Met gebruik van andere woorden bleven ze diezelfde boodschap uitdragen in hun brieven en in de Openbaring. Jezus was er niet op uit om een nieuwe beweging binnen of buiten Israël beginnen. Zijn opdracht was om Israël bekend te maken dat God in Hem bezig was zijn beloften te vervullen, het koninkrijk in te luiden en Israël tot zijn bestemming te brengen. Hij verkondigde zijn boodschap als een Joodse profeet aan Joden: de verloren schapen van het huis Israëls (Matt 15:24). Ook zijn leerlingen stuurde hij allereerst naar Israël (Matt 10:5-6).[1] Hij baseerde zich steeds weer op de oudtestamentische profetieën en Gods onverbrekelijke verbond, waardoor zij de natuurlijke kinderen van het koninkrijk waren (Matt 8:12).

 

Israël als geheel verwierp Jezus en zijn boodschap over het koninkrijk. Die verwerping werd steeds heftiger, leidde uiteindelijk tot zijn dood, maar kwam voor Jezus niet onverwacht (Marc 2:20; Luc 4:16-30//Marc 6:1-6). Een niet onaanzienlijke groep binnen Israël gaf wel gehoor aan Jezus’ boodschap. Hij was niet zoals de Farizeeërs, die hun leerlingen wilden verbinden aan de Wet. Hij verbond hen exclusief aan zichzelf (mijn discipelen). Hij was immers de Koning, die Gods heerschappij vertegenwoordigde. In Hem sprak God zelf hen aan. In hen kwam Gods plan met Israël tot zijn bestemming. Zij waren het koninkrijk van de Messias binnen gegaan en waren nu het ware Israël Gods (Gal 6:16), het volk van het koninkrijk, vertegenwoordigers van het hele volk.

Dat valt te begrijpen tegen de achtergrond van het oudtestamentische begrip van het overblijfsel. Jezus noemt zijn discipelen nergens expliciet bij die naam, maar duidt hen wel aan als ‘kleine kudde’ (Luc 12:32). In het Oude Testament is Israël Gods kudde, de vorsten zijn herders; in het Nieuwe Testament zijn ze dat nog steeds, maar ze zijn koppig, afgedwaald en verloren (Matt 10:6; 15:24). Jezus is gekomen als de Herder (Marc 14:27; Joh 10:11) om het verlorene te zoeken en te vinden (Luc 15:3-7; 19:10). Zo vervult hij Ezech 34:15-16, “Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten rusten – spreekt God, de HEER. Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken – maar de vette en sterke dieren zal ik doden. Ik zal ze weiden zoals het moet.” Het roepen van twaalf discipelen is een symbolische daad waarin Jezus zijn leerlingen aanduidt als een voortzetting van Israël. Dat blijkt verder uit hun rol in de eindtijd: in ‘de wedergeboorte’ zullen zij op twaalf tronen zitten en regeren over de twaalf stammen van Israël (Matt 19:28; Luc 22:30).

In Matt 16:18-19 zegt Jezus: “Ik zal mijn ekklesia bouwen”. De gedachte van het ‘bouwen’ van een volk is oudtestamentisch[2]. Het woord ekklesia (vaak vertaald met ‘kerk, gemeente’) wordt in de Septuagint steeds gebruikt om de ‘vergadering van Israël’ aan te duiden (Hebr. qahal)[3]; het wijst dus niet op een scherpe tegenstelling met Israël, maar juist op continuïteit. Maar met een belangrijk verschil: Jezus verbindt deze vergadering, dit volk, met zichzelf. Het is mijn. Ieder die Hem belijdt als Messias (16:16!), als Koning, Hem dus volgt en gehoorzaamt, hoort bij het volk van zijn koninkrijk. ekklesia

Met “de gemeente als het volk van het koninkrijk” bedoel ik niet, dat zij Israël vervangt in Gods plan. God heeft het koninkrijk aan het natuurlijk Israël ontnomen en de tijden der heidenen zijn begonnen. Gedurende die tijd heeft het zijn voorrechten verloren (denk aan de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters en de onvruchtbare vijgenboom)[4]. Gelovigen uit de heidenen zijn door genade en de uitstorting van de Geest geënt op de stam van de aartsvaders. Maar, zoals Paulus in Rom 9-11 schrijft, er is een toekomst voor Israël. Eens zal het volk zich bekeren. Als God genadig was voor heidenen, zal Hij dat zeker zijn voor zijn verbondsvolk. Dan zullen wij samen met onze ‘oudste broer’ een “feestelijke vergadering van eerstgeborenen” (Hebr 12:23) zijn en wonen in het nieuwe Jeruzalem. Op haar poorten staan de namen van de twaalf apostelen èn van de twaalf stammen Israëls.

Dat wat wij nu de kerk noemen, is de gemeenschap van het koninkrijk, geboren uit de verkondiging van het koninkrijk, maar nooit het koninkrijk zelf. Het is de gemeenschap van degenen die Gods heerschappij en de zegeningen van het koninkrijk ervaren, het volk van het koninkrijk. De zichtbare kerk is niet de aardse uitdrukking van het koninkrijk, zoals Augustinus leerde en in zijn voetsporen de Roomskatholieke Kerk tot op de dag van vandaag. Ook de onzichtbare kerk is niet identiek aan het koninkrijk, zoals Calvijn meende. De kerk is een deel van het koninkrijk, maar het koninkrijk is veel groter. Het omvat Gods toekomstige, volmaakte heerschappij over de hele schepping.

Koninkrijk en kerk zijn dus niet hetzelfde, maar ook niet – zoals in de klassieke bedelingenleer - totaal verschillend: alsof het koninkrijk in essentie om een aards volk (Israël) gaat, de kerk om een hemels, geestelijk volk (de gemeente).[5] Het evangelie van het koninkrijk is niet een speciale boodschap door en voor Joden (in de eerste jaren van de gemeente, en straks opnieuw in de grote verdrukking), maar de aankondiging van de apostelen dat Jezus Christus Koning van heel de schepping is. De proclamatie van zijn overwinning (kruis en opstanding) en troonsbestijging (hemelvaart) houdt een oproep in om zich aan Hem te onderwerpen (Rom 1:3-5, gehoorzaamheid aan Jezus als Davidisch koning). Die proclamatie is de blijvende Grote Opdracht van de gemeente van Jezus Christus.

De kerk getuigt dus van het koninkrijk. Ze is ook het instrument van het koninkrijk, omdat ze het werk voortzet wat Jezus begonnen is te doen. Zoals woord en wonder samengingen in zijn werk, zo was dat ook bij de apostelen. Gods genezende en bevrijdende werk gaat door totdat het koninkrijk in al zijn volheid komt (zie hoofdstuk 10). Tenslotte is de kerk de sleutelbewaarder van het koninkrijk, want door haar uitnodigende verkondiging haalt ze mensen binnen in het koninkrijk. Jezus zei tegen Petrus dat hem de sleutels van het koninkrijk gegeven waren (Matt 16:19) en in de Handelingen zien we hoe Petrus ze gebruikte. Hij verkondigde het evangelie van het koninkrijk en achtereenvolgens mocht hij Joden, Samaritanen en Romeinen binnenlaten (Hand 2, 8, 10-11).



[1] De uitzending van de zeventig impliceerde wel een bedoeling met alle volken.

[2] Ruth 4:11; Jer 1:10; 24:6; 31:4; 33:7; Ps 28:5; 118:22; Amos 9:11.

[3] Hand 7:38; vgl. Deut 5:22; Ezra 10:12; Ps 22:22; 107:32; Joël 2:16; Mic 2:5.

[4] Matt 21:33-46; Marc 11:11-26.

[5] Het progressieve dispensationalisme heeft andere opvattingen over de verhouding tussen Israël en de gemeente. Ook al worden zij nog steeds principieel gescheiden gehouden en de meeste oudtestamentische profetieën betrokken op de aardse, nationale en politieke toekomst van Israël in het millennium, toch heeft men de tegenstelling tussen een aards en een hemels volk goeddeels verlaten.

 

Laatst aangepast op dinsdag, 09 november 2010 16:03
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)