close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Afdrukken E-mailadres
woensdag, 18 november 2009 19:56

Het ontstaan van de Canon van het Nieuwe Testament

oude_bijbel

1. De canon

 

    Het woord canon is van Griekse oorsprong: kanon (riet). Dit riet werd gebruikt als meetlat of maatstaf. I.v.m. de Bijbel betekent het ‘de officieel aanvaarde lijst van boeken’. De canon is geen zelfstandige vinding van de kerk. De kerk heeft her- en erkend welke boeken vanaf het begin door God geïnspireerd waren.

     

    De Hebreeuwse canon was in nieuwtestamentische tijden al verankerd in het Joodse denken. Vanouds werd het Oude Testament ingedeeld in drie gehelen: torah, nebiiem, ketoebiem. Jezus verwijst naar deze canon in Luc 24:44; 11:51. Het getuigenis van schrijvers: vroegste getuigenis is van een buitenbijbelse schrijver is van Ecclesiasticus (130 BC). Maar toen de tempel verwoest werd en Schriftstudie een nog grotere plaats kreeg in de Joodse geloofsbeleving, en bovendien het Christendom steeds nadrukkelijker naast het Jodendom opkwam, werd het belangrijk die canon nog scherper te omschrijven.

    Het getuigenis van het Nieuwe Testament t.a.v. het Oude Testament als Heilige Schrift: Matt 21:42; 22:29; 26:54,56; Luc 24; Joh.5:39; 7:38; 10:35; Hand 17:2,11; 18:28; Rom 1:2; 4:3; 9:17; 10:11; 11:2; 15:4; 16:26; 1 Cor 15:3,4; Gal 3:8,22; 4:30; 1 Tim 5:18; 2 Tim 3:16; 2 Pet 1:20,21; 3:16.

    De heilige geschriften voor Jezus, Johannes de Doper, Paulus, de discipelen en alle joden en vroege christenen waren de Joodse geschriften. Jezus gaf daar vaak een hele nieuwe uitleg aan. De eerste christenen gebruikten het Oude Testament vooral om te bewijzen dat Jezus de Messias was. Ze zochten in de teksten naar parallellen met zijn leven, onderwijs, dood en opstanding. Men kende de geschriften soms niet meer waarde toe dan dit. En dat leidde tot heftige debatten onder de vroege christenen over de vraag of de joodse geschriften belangrijk waren voor de christelijke boodschap, en hoe dan wel.


    2. De canon van het Oude Testament

      Onderwijl werden de joden geconfronteerd met interne verdeeldheid en de opkomst van nieuwe geschriften die aanspraak maakten op een plaats onder de heilige schriften. Met de verwoesting van de tempel in 70 AD verschoof de focus van het Jodendom van de offerdienst en de priesterlijke tradities naar het onderwijs van de rabbijnen en de interpretatie van de heilige boeken. In Jamnia kwamen decennia lang joodse geleerden bijeen om te discussiëren over de vraag welke geschriften heilig genoeg waren om gezaghebbend te zijn. In hoeverre gold dat voor bijvoorbeeld Spreuken, Prediker, Hooglied en Esther? In feite werden hier geen nieuwe beslissingen genomen, maar werd de bestaande traditie alleen verder uitgekristalliseerd en bevestigd.

      Alle rabbijnse interpretaties werden als waardevol beschouwd en dus opgeschreven. Zo ontstonden uitgebreide commentaren zonder dat één bepaalde opinie als de juiste werd aangewezen. Halakisch onderwijs vertelde de joden hoe ze volgens de Wet konden leven en wat ze moesten doen wanneer twee wetten met elkaar in strijd leken te zijn. De Haggadah was een verzameling verhalen, details, karakters en uitwijdingen die diende om verhalen in de Schrift te interpreteren. De Mishna ontstond toen mondelinge commentaren op de Tenach in de tweede eeuw op schrift werden gezet. De Talmoed ontwikkelde zich als een commentaar op de Mishna. Deze geschriften namen in het leven van de joden qua gezag een plaats direct na de Torah in.

      talmud-study

      3. De canon van het Nieuwe Testament

        Christelijke teksten ontstonden na de dood en opstanding van Jezus, na een periode van mondelinge overlevering. De vroegste christelijke geschriften waren de brieven van Paulus. De evangeliën werden later geschreven. Wanneer precies, daarover verschillen nieuwtestamentici nog steeds van mening. De dateringen lopen uiteen van 40-100 AD voor de synoptische evangeliën Mattheüs, Marcus en Lucas).  Geleerden speculeren dat het evangelie van Marcus het eerst werd geschreven en samen met een verzameling overgeleverde uitspraken van Jezus als bron diende voor Mattheüs en Lucas. Het evangelie van Johannes verschilt nadrukkelijk van deze drie in visie, stijl en theologie.

        Naarmate de verhalen opgeschreven werden, werd ook de theologische diversiteit in de vroege kerk steeds zichtbaarder. Er werden felle debatten gevoerd over goddelijke en/of menselijke natuur van Jezus en over wat nu precies de boodschap van het evangelie was. Er kwamen steeds meer documenten bij, die uitdrukking gaven aan een verscheidenheid aan theologische opinies. Sommige schrijvers verwierpen de Hebreeuwse Schriften; anderen verwierpen de menselijkheid van Jezus; weer anderen ontkenden dat Hij God was. Naarmate de kerk meer gestructureerd en institutioneel werd, probeerden haar leiders de meningsverschillen op te lossen door een samenhangende verzameling leerstellige uitspraken. Die werd bekend als orthodoxie, de "juiste mening." Andere leringen werden verworpen als vals, aangeduid als "ketterij," en fel aangevallen door orthodoxe leiders. De debatten tegen ketterse leringen leidden tot het houden van raadsvergaderingen (concilies) waar theologen na langdurig bereid en debat besloten welke opvattingen juist waren. Ook bepaalde men, mede op grond van de bestaande praktijk van de kerken in Oost en West, welke geschriften die overtuigingen tot uitdrukking brachten en dus als gezaghebbende Schrift konden worden beschouwd. Deze concilies van Hippo (393) en Carthago (397) bepaalden uiteindelijk de officiële leer van de kerk en de canon van wat wij het Nieuwe Testament zijn gaan noemen.

        De canon van het Nieuwe Testament is dus vastgesteld in de vierde eeuw. Hoe kunnen Christenen geloven dat het Woord van God hetzelfde is als die 27 boeken die toen door gewone, feilbare mensen zijn aangewezen als geïnspireerde Schrift? Het antwoord is dat al heel lang daarvoor Christenen bezig waren om geschriften te verzamelen en na te gaan of ze apostolisch gezag bezaten (vgl. Col 4:16, 2 Pet 3:15,16). Dat in de eerste en tweede eeuw vele boeken verschenen onder de naam van een der apostelen (pseudepigrapha), laat zien hoeveel gewicht aan dat criterium werd toegekend. Steeds weer werd de vraag gesteld: In welke mate geeft dit boek een authentieke weergave van het leven en het onderwijs van Jezus en de apostelen? De inhoud van de canon werd bepaald door de algemene erkenning in de christengemeenten, en niet door een autoritaire uitspraak van een enkele kerkvergadering. De synodes verleenden geen nieuw gezag aan deze boeken, maar bevestigden hun eerder vastgestelde autoriteit. In het geval van de omstreden boeken Hebreeën, Jacobus, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Judas en Openbaring heeft het heel lang geduurd voordat er een uiteindelijke beslissing viel. Meer over de vorming van de canon vindt u hier.

        Een prominente vroege dwaalleer was de Gnostiek, die geloofde dat de waarheid geheime kennis voor ingewijden was. Gnostische christenen geloofden dat Jezus geheime kennis aan zijn leerlingen meedeelde, die het weer doorgaven aan hun initiaten. Gnostische geschriften werden onderdrukt door de zich ontwikkelende officiële kerk, maar een verzameling ervan dook in de jaren '40 van de vorige eeuw op bij Nag Hammadi in Egypte.

        constantine Naast de worstelingen met dwaalleer moest de vroege kerk ook het hoofd bieden aan politieke problemen, vooral vervolgingen. Die flakkerden van tijd tot tijd op vanaf rond 90 AD totdat keizer Constantijn het Christendom erkende als staatsgodsdienst, rond 313. Daarna werden niet-christenen en ketters vervolgd, hoewel soms niet de leraren van de kerk maar de keizer bepaalde wat 'orthodoxie' and 'ketterij' was. Tegen het jaar 400 was de canon van het Nieuwe Testament zoals we die nu kennen vastgesteld binnen de context van een gevestigde orthodoxe kerk een krachtig keizerlijk gezag.

        De Apocriefen (Gr. apokruphos, verborgen) of pseudepigrafen (onder valse naam, pseudoniem  geschreven) delen niet in deze betrouwbaarheid. Zij (1) bevatten historische en geografische onjuistheden en anachronismen; (2) bevatten valse leerstellingen en stimuleren praktijken die in strijd zijn met de geïnspireerde Schrift; (3) vertonen een vorm (allegorie), stijl en kunstmatigheid die geheel anders is dan de geïnspireerde Schrift; (4) missen de profetische kracht en het poëtische en godsdienstige gevoel dat typerend is voor de geïnspireerde Schrift.

         

        Laatst aangepast op dinsdag, 09 november 2010 15:00
         
        Reageer (0 reacties)

        You need to login or register to post comments.
        Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)