close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
woensdag, 23 september 2020
Afdrukken
woensdag, 18 november 2009 20:18
Inhoudsopgave
Inspiratie
Inspiratie theorieen
Intensiteit van inspiratie
Alle pagina's

 

Verschillende theorieën van inspiratie

Caravaggio's De inspiratie van St Mattheus

  • De intuïtie theorie maakt van inspiratie voornamelijk een bijzondere mate van inzicht. Het is een bijzondere begaafdheid, een blijvend en natuurlijk talent. De bijbelschrijvers waren religieuze genieën. De Bijbel is niet anders dan grote godsdienstige literatuur die de geestelijke  ervaringen van het joodse volk weerspiegelt.
  • De verlichtingstheorie erkent een invloed van de Heilige Geest op de bijbelschrijvers, maar alleen als een verhoging van hun normale vermogens. Er is geen bijzondere communicatie van waarheid of leiding bij het schrijven; alleen een verhoogde gevoeligheid met betrekking tot geestelijke zaken. Inspiratie verschilt niet in aard, maar alleen in mate van het normale werk van de Geest in alle gelovigen.
  • De dynamische theorie benadrukt de combinatie van goddelijke en menselijke elementen. De Geest leidt de schrijver naar de gedachten en concepten die hij moet hebben, en geeft zijn persoonlijkheid de ruimte in de keuze van woorden en uitdrukkingen.
  • De verbale theorie beklemtoont dat de invloed van de Geest zich uitstrekt tot de keuze van de woorden om de boodschap over te dragen. Ieder woord is het exacte woord dat God op dat punt wil. Men benadrukt meestal echter dat het hier niet gaat om dictaat.
  • De dictaat theorie stelt dat God de Bijbel werkelijk aan de schrijvers dicteerde. Passages die van een dictaat spreken worden uitgebreid tot de hele Bijbel. Hoewel Calvijn de term ‘dictaat’ gebruikte, deed hij dat in een andere zin dan deze theorie.

De methode om een theorie van inspiratie te formuleren

Men kan verschillende uitgangspunten kiezen (die dienen wel consistent te zijn met hoe de systematische theologie verder te werk gaat):

  • belangrijkste nadruk op het expliciete onderwijs van de bijbelschrijvers en wat blijkt uit hun gebruik van de Schrift (Warfield en de Princeton school) - de deductieve benadering;
  • uitgaan van de verschijnselen (phenomena) in de Bijbel, de verschillende vormen van verslaglegging in de Bijbel analyseren, en parallelle verslagen vergelijken (Dewey Beegle) – de inductieve benadering.

De basis voor een theorie van inspiratie dient het didactische materiaal uit de Bijbel te zijn. De verschijnselen van de Bijbel vervullen een ondersteunende functie in het bepalen van de betekenis van het didactisch materiaal. Het onderwijs geeft de formele aard van de leerstelling, de phenomena helpen de inhoud verder in te vullen. Feinberg noemt dit de abductieve of retroductieve methode. Deze methode is strikt deductief noch inductief. De theoloog formuleert een conceptueel model door een geïnformeerd en creatief denkproces waarin de te verklaren gegevens een rol spelen, en toetst dit model vervolgens weer aan de gegevens (de verschijnselen). Inductie en deductie spelen beide een rol in de verbeelding van de wetenschapper.


De reikwijdte van inspiratie

Hoever reikt de inspiratie van de Bijbel? Is de hele Bijbel geïnspireerd of alleen bepaalde gedeelten? 2 Tim 3:16 pasa graphe theopneustos lijkt een snelle oplossing aan te bieden, maar de grondtekst bevat zoals gezegd een zekere dubbelzinnigheid door het ontbreken van het werkwoord esti. De vertaling "alle Schrift is door God geademd en is nuttig om .." lijkt om genoemde redenen de voorkeur te verdienen boven "alle door God geademde Schrift is ook nuttig om ..".

Verdere hulp vinden we in 2 Pet 1:19-21 en Joh 10:34-35. Op het eerste gezicht lijken die alleen te refereren aan profetie en de wet, en dus niet te gaan over alle categorieën van bijbelse geschriften. Maar Luc 24:25-27 stelt "Mozes en de profeten" gelijk aan "alle geschriften" en Luc 24:44-45 stelt "de wet van Mozes en de profeten en de psalmen" gelijk aan "de geschriften". Als Jezus in Joh 10:34 refereert aan de wet, citeert hij echter Ps 82:6; in Joh 15:25 doet Hij hetzelfde met Ps 35:19. In Matt 13:35 refereert Hij aan wat gezegd is door de profeet en citeert dan Ps 78:2. Ook Paulus refereert aan verschillende typen bijbelgedeelten als "wet" (Jes 28:11-12 in 1 Kor 14:21; Psalmen en Jesaja in Rom 3:19; Gen 16:15 en 21:9 in Gal 4:21-22). Petrus refereert zodanig aan het "profetisch woord" (2 Pet 1:19) en "alle profetie der Schrift" dat het de hele verzameling van algemeen aanvaarde geschriften van zijn tijd suggereert. Het lijkt dat "wet" en "profetie" vaak gebruikt werden om het geheel van de Hebreeuwse geschriften aan te duiden.

Kan dit begrip van inspiratie worden uitgebreid tot de boeken van het Nieuwe Testament? Er zijn aanwijzingen dat men geloofde dat het werk van de nieuwtestamentische schrijvers van dezelfde aard was als dat van de oudtestamentische schrijvers. In 2 Pet 3:16 worden de geschriften van Paulus op één lijn gesteld met "de overige geschriften" (waarschijnlijk de algemeen aanvaarde oudtestamentische geschriften). Johannes beschouwde zijn geschriften als Gods woord (1 Joh 4:6; Open 22:18-19). Paulus schreef dat het evangelie dat hij de Thessalonicenzen had gebracht van de Heilige Geest kwam (1 Thes 1:5) en door hen aanvaard was als wat het werkelijk was: het woord van God (2:13).

Hoewel de vraag naar de omvang van de canon van het Nieuwe Testament open blijft, is het duidelijk dat de nieuwtestamentische schrijvers 'de Schriften' begrepen als een geheel dat zich uitstrekte van de profetische periode tot hun eigen tijd.

Een andere vraag is of deze inspiratie een specifiek ingrijpen van de Heilige Geest op bepaalde momenten was, of dat zij permanent op de bijbelschrijvers rustte vanwege hun bijzondere positie en aanstelling. Sommigen beschouwen inspiratie inderdaad als iets dat hoort bij het ambt van profeet of apostel als zodanig.

Het lijkt er echter op dat de kracht om te profeteren niet constant was. In Ezechiël worden de visioenen nauwgezet gedateerd. Hetzelfde geldt voor woorden van God aan Johannes de Doper, Elizabeth en Zacharias. Verder werd er geprofeteerd door sommigen die geen profeet waren (Bileam, Num 22:28-30; Saul, 1 Sam 19:23-24). Ook andere geestesgaven lijken zich met onderbrekingen te uiten.

Tenslotte waren er momenten waarop apostelen leken af te dwalen van Gods wil (Petrus, Gal 2:11-21; Paulus, Hand 15:38-41). De tegenwerping dat het hier niet gaat om onderwijs, is niet steekhoudend aangezien onderwijzen evenzeer door modelleren als door proclameren plaatsvindt.

We moeten derhalve concluderen dat de inspiratie niet permanent verbonden was aan het ambt van profeet of apostel. Er kan sprake zijn geweest van inspiratie op andere momenten dan het precieze schrijven van wat nu Bijbel is, maar het is zeker dat niet alle geschreven en gesproken uitingen van de bijbelschrijvers geïnspireerd zijn geweest.

 



Laatst aangepast op dinsdag, 09 november 2010 14:56
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)