close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Afdrukken
maandag, 14 december 2009 17:46

De opstanding: feit of fictie?

graftuin

 Jezus’ volgelingen hadden erop gerekend dat zij de vestiging van zijn koninkrijk zouden meemaken. Ze hadden onderling geruzied wie de meest vooraanstaande plaats verdiende. De moeder van Jakobus en Johannes had bij Jezus gepleit om haar zoons zulke plaatsen te geven. Ze hadden gejuicht en hun kleren over de ezel en de weg gespreid  bij Jezus’ intocht in Jeruzalem vanaf Bethanië. Hun vraag “Heer, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?” (Hand 1:6) laat zien dat zij de hoop van het aanstaande aardse koninkrijk nog steeds koesterden.

Jezus’ arrestatie en executie hadden hun hoop vernietigd. Ze hadden hem in de steek gelaten en waren gevlucht uit angst zijn lot te moeten delen. Alleen Petrus en Johannes waren nog enigszins in zijn nabijheid gebleven om te zien hoe het afliep. Maar Petrus had uit angst en zucht tot zelfbehoud zijn Heer verloochend en was huilend weggevlucht. Bij de kruisiging was naast een groepje vrouwen uit de kring om Jezus alleen Johannes nog aanwezig. Een dode leraar betekende een dode droom, want de Messias moest overwinnen en regeren, niet lijden en sterven. Geen jood las Jesaja 53 op die manier. Daarom schreef Paulus later: “Maar wij verkondigen een gekruisigde Messias, voor joden een aanstoot” (1 Kor 1:23). De sabbat na zijn dood waren de discipelen gedesillusioneerd, zoals de twee Emmaüsgangers de dag erna nog steeds waren: “En wij dachten nog wel dat hij het was die Israël verlossen zou” (Luc 24:21). Ze hadden vurig gehoopt, maar hun hoop was met Jezus gestorven.

Maar een paar dagen later was alles veranderd. Het eerst ontgoochelde groepje begon ineens opgewonden het nieuws rond te vertellen in Jeruzalem dat tegen alle verwachting in Jezus was opgestaan uit de dood. Hij was dus tòch de Messias en zijn misdadige terechtstelling paste op de een of andere manier in Gods grote plan. Hij was de vervulling van profetische woorden van David en door deze gekruisigde en opgestane Messias bood God zijn volk vergeving en het aanbreken van de toekomende eeuw aan – een tijd van verademing en vernieuwing van de hele schepping.

 

Joodse overtuigingen over een leven na de dood sloten uit dat iemand uit de dood zou opstaan tot heerlijkheid en onsterfelijkheid vóór de algemene opstanding van de doden aan het eind van de wereld. Toch begonnen de eerste discipelen dit plotseling zo sterk te geloven dat zij bereid waren om te sterven voor die overtuiging. Dan komt de vraag op: Waar komt zo’n onjoods en absurd geloof vandaan? Wat had die plotselinge omslag in hun gedrag en gedachten over Jezus veroorzaakt? Luke Johnson, nieuwtestamenticus aan Emory University, meent: “Er is een krachtige, transformerende ervaring vereist om het soort beweging op te wekken dat het vroegste Christendom was.”[1] N. T. Wright, de eminente Britse geleerde, concludeert, “Daarom kan ik als historicus de opkomst van het vroege Christendom niet verklaren tenzij Jezus uit de dood opstond en een leeg graf achterliet.”[2] Het Nieuwe Testament geeft inderdaad maar één antwoord: Jezus was opgestaan en aan hen verschenen. Dat had van deze bange mannen vurige verkondigers gemaakt. Vanaf dat moment was zijn opstanding het hart van hun boodschap. De allereerste christelijke preek die we in de Bijbel vinden, Petrus’ toespraak na de uitstorting van de heilige Geest (Hand 2:14-36), draait helemaal om het feit en de betekenis van Jezus’ opstanding. Niet zijn wijsheid of voobeeldige leven, zelfs niet zijn wonderen staan voorop, maar dat God hem had bevestigd als Messias door hem uit de dood op te wekken en een ereplaats te geven aan zijn rechterhand, waarvan zij ooggetuigen waren geweest. Dat was vanaf het eerste begin de rol van de apostelen. Ze waren niet in de eerste plaats leiders en bestuurders van de nieuwe beweging, maar ooggetuigen van het leven en de opstanding van Jezus de Messias. Dat was ook de eis die ze stelden toen er gezocht moest worden naar een plaatsvervanger voor Judas. Het moest iemand zijn die met hen mee opgetrokken was en ooggetuige was geweest van Jezus’ leven, sterven en opstanding (Hand 1:22). Een kleine twintig jaar later beklemtoonde Paulus dat ook hij de opgestane Heer had gezien (1 Kor 15:8). Ook in zijn toespraken was de opstanding onveranderlijk het hart, en in zijn verhoor voor het Sanhedrin speelde hij dat als voormalig Farizeeër ook heel handig uit: “Ik sta terecht om de hoop op de opstanding der doden!” (Hand 23:6)


Het feit van de opstanding

Centraal in de overlevering, weerspiegeld in de brieven, de evangeliën en de weergave van de oudste prediking in het boek Handelingen, en ook in onze buitenbijbelse bronnen als Josefus, Tacitus en Plinius, staan Jezus’ sterven en opstanding. Dit meervoudige getuigenis van vroege en deels onafhankelijke bronnen bevestigt dat er in ieder geval een vroege traditie van geloof in Jezus’ opstanding was. Historici stellen dat een wonder als de opstanding buiten de categorieën van het historisch onderzoek valt. Het is een theologische interpretatie, geen historische verklaring. Dat laat de vraag onbeantwoord wat dan wèl de verandering in de discipelen verklaart, en wat een bevredigende verklaring is van drie andere feiten uit onze (bijbelse) bronnen, waaraan ik later nog vier andere feiten wil toevoegen die ook om een verklaring smeken.

Ten eerste werd Jezus na zijn kruisiging door Jozef van Arimatea in zijn graf gelegd. Jezus’ begrafenis wordt betuigd door meerdere vroege, onafhankelijke bronnen – de vier evangeliën en de brieven van Paulus. Het getuigenis van Marcus en Paulus gaat waarschijnlijk terug op een ooggetuigenverslag dat binnen 5-7 jaar na dato deel uitmaakte van de mondelinge overlevering. Een onafhankelijk verslag van de begrafenis vinden we in de bronnen achter de evangeliën van Mattheüs, Lucas en Johannes, en het apocriefe evangelie van Petrus. We hebben dus tenminste vijf vroege tot zeer vroege onafhankelijke bronnen. Als lid van het Sanhedrin dat Jezus veroordeelde, is het onwaarschijnlijk dat Jozef van Arimatea een christelijk bedenksel is. In de vroege kerk bestond een begrijpelijke vijandigheid t.o.v. de joodse leiders. Men verweet hen de juridische moord op Jezus. Daarom is het volgens wijlen de nieuwtestamenticus Raymond Brown, “zeer waarschijnlijk” dat Jozef Jezus begraven heeft, omdat het “vrijwel onverklaarbaar” is dat christenen een verhaal zouden bedenken over een lid van het Sanhedrin dat iets goed wil doen voor Jezus.[3] Om deze en andere redenen stemmen de meeste nieuwtestamentici in dat Jezus door Jozef van Arimatea in een graf werd gelegd. Volgens wijlen John A. T. Robinson van Cambridge University is de begrafenis van Jezus “één van de vroegste en best betuigde feiten over Jezus.”[4]

Ten tweede vond een groep vrouwelijke volgelingen het graf leeg op de zondag na de kruisiging. Het lege graf wordt betuigd door meerdere vroege bronnen. Marcus’ bron eindigde niet met de begrafenis maar met het verhaal over het lege graf, dat daarmee in woordkeus en grammatica een eenheid vormt. Mattheüs en Johannes hebben onafhankelijke bronnen over het lege graf; het wordt ook genoemd in de toespraken in Handelingen (2:29; 13:36); en geïmpliceerd in Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs (1 Kor 15:4). Opnieuw dus een meervoudig, vroeg en onafhankelijk getuigenis. Het waren vrouwen die het graf leeg aantroffen. In de patriarchale antieke wereld werd het getuigenis van vrouwen niet hoog aangeslagen. Josefus vertelt zelfs dat in de joodse rechtspraak vrouwen niet eens werden toegelaten als getuigen. Wanneer dit verhaal veel later verzonnen zou zijn, zou men zeker geen vrouwen als kroongetuigen hebben opgevoerd. Dat was wel zo ongeveer het slechtste verkoopargument. Dat niet mannen als Petrus of Johannes maar juist deze vrouwen als eerste getuigen worden opgevoerd, is het best te verklaren uit het ongemakkelijke feit dat het nu eenmaal echt zo gegaan was. Op basis van zulke gegevens verklaart Jacob Kremer, een Oostenrijks specialist m.b.t. de opstanding, “Veruit de meeste exegeten houden vast aan de betrouwbaarheid van de bijbelse uitspraken over het lege graf.”[5]

Ten derde beleefden verschillende individuen en groepen onder verschillende omstandigheden verschijningen van de opgestane Jezus. Paulus’ lijst van ooggetuigen van Jezus’ verschijningen na zijn opstanding garandeert dat ze echt gebeurd zijn. Paulus meldt dat Jezus verscheen aan Petrus, toen aan zijn groep vertrouwelingen die bekend stonden als de twaalf; toen verscheen hij aan een groep van 500 discipelen tegelijk, toen aan zijn jongere broer Jakobus die tot dat moment blijkbaar geen gelovige was, daarna aan alle apostelen. Tenslotte, voegt Paulus toe, “verscheen hij ook aan mij,” toen Paulus nog een vervolger van de vroege Jezusbeweging was (1 Kor 15:5-8). Gegeven de vroege datum van Paulus’ informatie[6] en zijn bekendheid met de betrokken mensen, kunnen we deze verschijningen niet afschrijven als legendarisch. De evangeliën bieden weer een meervoudig, onafhankelijk getuigenis. Zo wordt de verschijning aan Petrus betuigd door Lucas en Paulus; de verschijning aan de twaalf door Lucas, Johannes en Paulus; en de verschijning aan de vrouwen door Mattheüs en Johannes. Zelfs de sceptische Duitse nieuwtestamenticus Gerd Lüdemann besluit, “We kunnen als historisch zeker aannemen dat Petrus en de discipelen na Jezus’ dood verschijningen zagen waarin Jezus aan hen verscheen als de verrezen Christus.”[7]

Er zijn dus vier feiten waar de meeste geleerden het over eens zijn: Jezus’ begrafenis, het lege graf, zijn verschijningen, en het plotselinge geloof van zijn leerlingen in zijn opstanding. Die feiten kunnen niet bevredigend worden verklaard door alternatieve hypothesen als een coma- of diefstaltheorie, hallucinaties of vrouwen die het verkeerde graf aanzagen voor dat van Jezus. Een alternatieve hypothese moet dan ook verklaren waarom:

-    de vroege kerk al in de eerste eeuw de sabbat verruilde voor de zondag (zoals o.a. uit de Didache blijkt);

-    de centrale christelijke rituelen van doop en avondmaal Christus’ dood en opstanding symboliseren (met een dode Messias zou dit niet gebeurd zijn);

-    Jezus’ graf geen bedevaartcentrum werd en er geen enkele aanwijzing is voor een herbegrafenis van zijn beenderen (ondanks de door National Geographic in 2007 opgeklopte mini-hype rond het zogenaamde familiegraf van Jezus in Jeruzalem-Talpiot);

-    juist in de opstandingsverhalen de aanwijzingen ontbreken van latere reflectie, zoals verwijzingen naar het OT, naar een persoonlijke hoop op eeuwig leven, anti-docetische polemiek of leerstellige ontwikkeling zoals bij Paulus.

 

Juist die laatste kenmerken maken het uiterst onwaarschijnlijk dat de evangelisten op veel later datum een vage overlevering van een ‘historische kern’ voorzien zouden hebben. Na een uiterst gedegen historisch onderzoek besluit Tom Wright zijn bijna 800 pagina’s dikke boek The Resurrection of the Son of God met de woorden:

graftuin1“Het graf was leeg, en er vonden diverse ontmoetingen plaats tussen Jezus en zijn volgelingen (waaronder tenminste één aanvankelijke scepticus) maar ook in tenminste één geval(dat van Paulus; misschien ook dat van Jakobus) tussen Jezus en mensen die niet tot zijn volgelingen hadden behoord.  Ik beschouw deze conclusie als behorend tot dezelfde categorie - van aan zekerheid grenzende historische waarschijnlijkheid – als de dood van Augustus in AD 14 of de val van Jeruzalem in AD 70.” [8]

Inderdaad, de evangeliën zijn geen neutrale geschiedschrijving naar westerse maatstaven. Ja, het zijn geloofsgetuigenissen. Maar betrouwbare getuigenissen waarin we de historische kern duidelijk ontwaren. We mogen ze lezen in het vertrouwen dat we er “de authentieke Jezus” in leren kennen, zelfs al blijven heel wat historische en wetenschappelijke vragen onbeantwoord.[9] We “wandelen in geloof, [nog] niet in aanschouwen”. Maar het is een geloof waarin het hoofd voluit met het hart kan meegaan, versterkt door een persoonlijke ontmoeting met de opgestane Heer.


De aard van de opstanding

Het graf was leeg, Jezus verscheen zichtbaar, hoorbaar en tastbaar aan zijn verbijsterde leerlingen. Hij at in hun bijzijn een stuk vis om hen duidelijk te maken dat hij geen geestverschijning was, maar lichamelijk was opgestaan. Maar zijn opstanding was meer dan de herleving van een dood lichaam. Zijn lichaam bezat kenmerken die het onderscheidden van elk ander menselijk lichaam; het behoorde blijkbaar tot een andere orde. Tot tweemaal toe verscheen hij aan zijn volgelingen terwijl de deuren gesloten waren (Joh 20:19, 26). In Emmaüs verdween hij plotseling zodra Klopas en zijn metgezel hem herkenden (Luc 24:31), maar verscheen tot hun ontsteltenis toen zij terug in Jeruzalem hun relaas deden aan de andere discipelen (Luc 24:36-37).

Wat in de evangeliën en Handelingen nog niet expliciet duidelijk is (verbijstering, verwarring en onbegrip overheersen; inzicht breekt pas later door)[10], komt in Paulus’ brieven aan de Korintiërs helder naar voren: Jezus’ opstanding is geen ‘freak’ gebeurtenis, geen geïsoleerde wonderbaarlijke doorbreking van de natuurlijke orde. Het is de eersteling van de grote oogst (1 Kor 15:20), de voorloper waarin Gods toekomende eeuw doorgebroken is in de geschiedenis.[11] Met Jezus’ opstanding is in feite het eerste bedrijf van het drama van de Dag van de Heer begonnen. Vanaf het allereerste begin (Hand 1) is de wederkomst deel van het getuigenis van de apostelen. Daar was een goede reden voor. Jezus was opgestaan uit de dood, de Geest was uitgestort, maar nog geen van de andere verwachte gebeurtenissen van het einde had plaats gevonden. Het eind was gekomen, maar toch ook weer niet.[12] Het koninkrijk was gekomen en toch nog toekomst. Deze tekenen dat de toekomende eeuw begonnen was, vertelden de eerste christenen iets over hoe hij voltooid zou worden. De wederkomst is deel van een groter geheel waarin de hele schepping vernieuwd wordt.[13] In die verwachting gingen zij verder. Ze herhaalden niet wat de Meester had gezegd, maar speelden hun rol in het nieuwe bedrijf van Gods grote drama dat Hij had ingeluid door zijn vreemde overwinning op Golgotha.

Een eschatologische lezing van Jezus vereist naar mijn overtuiging, dat we wennen aan het denken in termen van de dialectiek tussen prestatie en toepassing. Jezus is niet gekomen om een abstracte ethiek te onderwijzen die de kerk gewoon steeds zou herhalen. Hij kwam (…) om de muziek te componeren die anderen zouden zingen, om te voorzien in het medicijn dat anderen zouden toedienen.[14]

 
 

[1] Luke Timothy Johnson, The Real Jesus (San Francisco: Harper San Francisco, 1996), 136.

[2] N. T. Wright, “The New Unimproved Jesus,” Christianity Today (September 13, 1993), 26.

[3] Raymond E. Brown, The Death of the Messiah, 2 vols. (Garden City, N.Y.: Doubleday, 1994), 2: 1240-1.

[4] John A. T. Robinson, The Human Face of God (Philadelphia: Westminster, 1973), 131.

[5] Jacob Kremer, Die OsterevangelienGeschichten um Geschichte (Stuttgart: Katholisches Bibelwerk, 1977), 49-50.

[6] Hij schreef zijn eerste brief aan de Korintiërs in de vroege jaren ’50.

[7] Gerd Lüdemann, What Really Happened to Jesus?, trans. John Bowden (Louisville, Kent.: Westminster John Knox Press, 1995), p. 8.

[8] N. T Wright, The Resurrection of the Son of God (Minneapolis, Minn.: Fortress Press, 2003), 710.

[9] James D.G. Dunn, Jesus Remembered (Grand Rapids: Eerdmans, 2004).

[10] Het begint al te dagen in Petrus’ tweede toespraak, maar is nog niet echt uitgekristalliseerd (Hand 3:19-21).

[11] Zie hierna hoofdstuk 9.

[12] Paulus schrijft zowel over lijden onder vervolging als over Jezus’ overwinning over machten en overheden aan het kruis. Ze krijgen gelijke nadruk. Dezelfde balans valt op te merken in 1 Petrus en de Openbaring.

[13] Rom 8; 1 Kor 15; Op 21-2.

[14] JRI, 272.


Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:19
 
Reageer (0 reacties)

You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)