close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
zaterdag, 21 september 2019
maandag, 14 december 2009 22:03

Wiens land?

God heeft aan Israël beloofd hun het Heilige Land te geven. Geldt die belofte vandaag nog steeds? Moet die belofte letterlijk of geestelijk worden verstaan? En als dat eerste waar is, kan Israël dan nu al het land claimen of kan dat pas als de Messias terug komt?



De landbelofte vóór de ballingschap

In de Bijbel wordt menigmaal gesproken over de beloften die God aan de aartsvaders en aan Israël gegeven heeft met betrekking tot het land Kanaän/Israël/Palestina. De eerste keer is dat in Gen 12:7: 'Toen verscheen de HERE aan Abram en zeide: "Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven".' Deze belofte wordt meermalen herhaald, ook tegenover Izaäk en Jakob.
Deuteronomium bevat niet minder dan 45 verwijzingen naar Gods belofte om het land Kanaän aan Israël te geven. “Zie, Ik heb dat land tot uw beschikking gesteld; trekt er binnen en neemt bezit van het land, waarvan de Here aan uw vaderen, Abraham, Izaäk en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun nakroost geven zou.” – Deut 1:8 (cf. 6:10,18; 7:8; 34:4). Deze belofte is alleen gebaseerd op Gods onvoorwaardelijke verbond met Abraham zoals gegeven in Genesis 15:9-17. Ze zullen het land krijgen omdat zij afstammelingen van Abraham zijn door Izaäk en Jakob. Het verbond wordt een ‘eeuwig verbond’ genoemd en het land zal hun ‘eeuwigdurende bezitting’ zijn (Gen 17:7-8; 48:4).

Eenmaal in Genesis (15:18-21) en tweemaal in Deuteronomium (1:7; 11:24) wordt verteld wat de omvang van dat beloofde land zou zijn: van de beek van Egypte (niet de Nijl, maar wadi el-Arish in de Sinaï) tot de grote rivier, de rivier de Eufraat. Het machtsgebied van koning Salomo had daadwerkelijk die uitgestrektheid (1 Kon 8:65; 2 Kron 7:8), maar de volle vervulling van de profetie wacht nog tot de Messiaanse tijd.

De hernieuwde landbelofte tijdens de ballingschap

Dit ‘eeuwige verbond' is niet vervallen zijn toen Israël in ballingschap werd gevoerd. Ook tijdens de Babylonische ballingschap wordt de landbelofte herhaald, en wel met het oog op de Messiaanse tijd: 'Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des HEREN, en alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam des HEREN te Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart. In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb' (Jer 3:17v.). Verderop in Jeremia wordt het verblijf in het land verbonden aan een voorwaarde: 'als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw' (7:5-7).

Omdat Israël niet aan deze voorwaarde voldeed, werd het in ballingschap gevoerd. Mozes’ waarschuwingen in Deut 28-31 werden waargemaakt in de dramatische geschiedenis van het volk, zoals 2 Kon 17 constateert. Maar Deut 30 geeft ook een belofte van herstel: 'wanneer gij u dan tot de HERE, uw God, bekeert ( ... ) dan zal de HERE, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken naar wier gebied de HERE, uw God, u verstrooid heeft ( ... ) de HERE, uw God, zal u brengen naar het land dat uw vaderen bezeten hebben; gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan uw vaderen' (vs2-5).
Andere profetieën, uit de tijd van de ballingschap, sluiten daarop aan: de HEER zal omzien naar zijn volk en hen terugbrengen naar hun eigen land (Ezech 11:17; 36:24; 39:25 28).

Al daarvoor had Jesaja Mozes’ waarschuwing in herinnering gebracht en over ballingschap en herstel geprofeteerd: 'Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, voor altoos zullen zij het land bezitten: een scheut die Ik geplant heb, een werk mijner handen, tot mijn verheerlijking' (Jes 60:21).


Drie opvattingen

Dr. W.J. Ouweneel vat de drie opvattingen kort samen die we tegenwoordig onder christenen aantreft ten aanzien van de landbelofte:

(a) De landbelofte moet geestelijk verstaan worden

Deze uitleggers menen dat de landbelofte aanvankelijk wel een letterlijke vervulling heeft gekregen, maar dat zij sinds de komst van Jezus geestelijk moet worden verstaan. Zo betekenen het Hebr. èrets en Gr. niet alleen 'land', maar ook 'aarde': in Op1:7 zijn de 'stammen van het land' de 'stammen van de aarde' geworden. In de zaligsprekingen wordt beloofd dat de zachtmoedigen, de volgelingen van Jezus Messias, de aarde zullen beërven. Dit betekent niet noodzakelijk dat het hier om een vervangingstheologie gaat. Deze opvatting kan wel degelijk samengaan met geloof in een bijzondere geestelijke toekomst voor het etnische volk Israël, als een massale bekering van het volk in de Messiaanse tijd en opname van deze Joodse gelovigen in de gemeente (OT qahal, NT ekklèsia) van Jezus Messias. De landbelofte wordt vervuld op de nieuwe aarde, de Jeruzalembelofte wordt vervuld in het nieuwe Jeruzalem (Open 21) en de tempelbelofte (Ezech 40-44) wordt vervuld in het volk van Jezus Messias, dat is de Tempel van God (1 Kor 3:16; 2 Kor 6:16; Ef 2:20-22). Soms – maar beslist niet altijd, integendeel - concludeert men hieruit dat de Joden geen bijzondere aanspraken kunnen laten gelden op het land en ‘de Palestijnen’ (een betrekkelijk recent begrip) de sterkste rechten hebben omdat zij er het langst gewoond hebben.

(b) Landbelofte letterlijk, en in 1948 in principe vervuld

Volgens deze opvatting moet de landbelofte vandaag de dag nog even letterlijk verstaan worden als dat in de Tenach het geval was. Het land waarvan de profeten spreken kan geen ander land zijn dan dat waarin Israël vanouds gewoond heeft. Dit is het land dat God in de twintigste eeuw in zijn voorzienigheid aan het volk Israël heeft teruggegeven en waarin het in 1948 zijn staat heeft kunnen stichten. De wijze waarop God én de harten van de Verenigde Naties heeft bewerkt, én zijn kleine volk keer op keer overwinningen heeft geschonken tegen zijn machtige naburen, bewijst dat God met dit volk is, ook al is er van echte toewijding aan de God van Israël, laat staan aan de Messias van Israël, momenteel nog weinig te zien. Dit laatste zal dan ook pas op Gods tijd komen. In de profetieën gaat het nationale herstel van Israël aan het geestelijk herstel vooraf: 'Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen' (Ezech 36:24v.; vgl. 11:17-20). Zie vooral het visioen van het dal der dorre doodsbeenderen in Ezech 37, waar het uitwendig herstel eveneens aan het inwendig herstel voorafgaat.

Exodus_schip(c) Landbelofte letterlijk, maar pas door de Messias vervuld

Ook volgens deze opvatting moet de landbelofte vandaag de dag nog even letterlijk verstaan worden als dat in de Tenach het geval was. Maar dat betekent niet dat Israël na de eeuwen waarin het bijna geheel afwezig was in het land, 'zomaar' kan terugkomen om het weer in bezit te nemen. Het land is nog altijd 'van Mij', zegt de HERE (Lev 25:23; vgl. Joel 3:2). Niemand kan er dus 'aanspraak' op laten gelden. God heeft in 1948 toegelaten dat Israël in het land Palestina een staat kon stichten, maar dat is niet hetzelfde als dat Hij het land aan Israël gegeven zou hebben.

Praying_Man_Wayling_Wall_69In de profetieën is de teruggave van het beloofde land altijd verbonden met bekering, en bijv. uit Ezech 20:34 43 blijkt dat deze bekering voorafgaat aan het nationaal herstel (zie verder Joel 2:27 32; Zach 12:7-14). 'Wie bij Mij schuilt, zal het land beërven' (Jes 57:13) in die volgorde (vgl. 60:21; Ps 25:12v.; 37:9,11,22,29,34; 69:37, Jer 32:39 41). Vooral Deut 30:1 10 is heel duidelijk: eerst bekering, dan teruggave van het land.

Veel christenen (waaronder ikzelf) combineren de eerste en deze derde optie. In Rom 9-11 betoogt Paulus eerst uitvoerig dat ‘Israël’ een nieuwe betekenis gekregen heeft: het volk van Jezus Messias – al degenen uit etnisch Israël en de volken die Hem hebben aangenomen. Maar vervolgens spreekt hij in 11:25 toch de vurige verwachting uit, dat aan het eind van de tijd ‘heel Israël behouden’ wordt. Er blijft een plaats voor etnisch Israël. Het blijft Gods oogappel. Daarmee lijkt een concrete landbelofte onverbrekelijk verbonden.

Maar de belofte aan Israël kan niet over de rug van de Palestijnen – van wie een kwart onze broeders en zusters in Christus zijn - gaan, die al meer dan duizend jaar in dit land wonen. Ook in het oude Israël hadden de vreemdelingen en bijwoners hun rechten. Toen koning David besloot de tempel te laten bouwen op de dorsvloer van de Jebusiet (!) Arauna, onteigende hij die niet, maar trad deze niet-Jood respectvol tegemoet en kocht zijn bezit voor de volle prijs en op een rechtsgeldige manier. Amos riep op het recht te laten stromen als een rivier, en Mozes sloot daar met nadruk ook de vreemdeling bij in (Deut 27:17-29).

 

Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:09
  Geen reacties.
You need to login or register to post comments.
Reageer op dit artikel in het forum. (0 posts)