close

YOOtoppanel

otseminar  
Onze eerstvolgende seminars:

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 6 maart, Baptistengemeente Sneek

Het Nieuwe Testament in Vogelvlucht, 20 maart, evangeliegemeente Soest
ntseminar

Top Panel
donderdag, 13 december 2018
Nieuwe Testament
Evangelie van Marcus

Het Evangelie van Marcus

De schrijver

Het evangelie is anoniem, maar een sterke traditie wijst Marcus aan als schrijver. Eusebius haalt in zijn Kerkgeschiedenis (Boek III) de vroege kerkvader Papias aan, bisschop van Hiërapolis (ca. 140 AD), wiens werken verloren zijn gegaan. Papias op zijn beurt haalt ‘de Oudste’ aan, met wie hij waarschijnlijk de apostel Johannes bedoelt:

"Marcus, die Petrus' vertolker was, schreef alles nauwkeurig, hoewel niet in volgorde, neer van hetgeen hij zich herinnerde dat de Heer had gezegd en gedaan. Want hij had de Heer niet gehoord, noch was hij een van Zijn volgelingen geweest; maar naderhand, zoals ik zei, volgde hij Petrus, die zijn toespraken opbouwde met oog voor zijn toehoorders, niet als een doorlopend verslag van de woorden van de Heer. Markus was dus gerechtvaardigd toen hij sommige dingen opschreef zoals hij ze zich herinnerde. Want hij had maar een doel – niets weg te laten van hetgeen hij gehoord had, en niets verkeerd weer te geven."

Volgens Papias is het Evangelie van Marcus dus geen biografie zonder meer, maar een weergave van de prediking van Petrus, die zijn stof ordende met het oog op zijn gehoor. De Anti-Marcionitische Proloog (160-180 AD) noemt Marcus als schrijver en verbindt hem met Petrus. Irenaeus (ca.180 AD) schrijft het Evangelie ook aan Marcus toe. Hij zou na de dood van Petrus en Paulus de prediking van eerstgenoemde te boek hebben gesteld.

We mogen aannemen dat met de naam Marcus in het Nieuwe Testament steeds dezelfde persoon wordt bedoeld, die ook Johannes wordt genoemd (zie Hand 12:12,25;13:5,13;15:36-39; Kol 4:10; Filem 24; 2 Tim 4:11 en 1 Pet 5:13). Als jood had hij naast zijn Griekse naam ‘Markos’ ook een Hebreeuwse naam.

Marcus was de zoon van Maria, die een (groot) huis bezat in Jeruzalem en (tenminste) een slavin (Hand 12:12,13). Hij was een neef van Barnabas (Col 4:10), en volgde hem en Saulus op hun eerste zendingsreis (Hand 12:25). Marcus ging mee als helper (huperetes; Hand 13;5). Na Cyprus keerde hij terug naar Jeruzalem (Hand 13;13) - voor Paulus reden om hem tegen de zin van Barnabas niet mee te nemen op een tweede reis (15:37-39). Na deze gebeurtenissen (rond 50 AD) komt hij niet meer in de verhalen voor. Hij moet wel bij Paulus' gezelschap te Rome hebben behoord  (Col 4:10). Nog later schreef Paulus dat hij ‘van veel nut voor de dienst’ was (2 Tim 4:11).

Als ‘Babylon’ een cryptische verwijzing is naar Rome, plaatst 1 Petrus 5:13 hem gelijk met de apostel in deze stad.

Datering

Het evangelie is een weergave van Petrus' prediking te Rome (rond 65 AD). Irenaeus en de Anti-Marcionitische Proloog vermelden dat Marcus schreef na de dood van Petrus (volgens Irenaeus was Paulus ook dood) - dus na 65 AD (martelaarschap van Petrus), of zelfs na 67 AD (wrsch. terechtstelling van Paulus).

Vermoedelijk is het voor 70 AD geschreven. Marcus verwijst immers nergens naar de verwoesting van Jeruzalem en zelfs niet naar eerdere schermutselingen in de Joodse Oorlog (vanaf 67 AD). Als we er bovendien van uitgaan dat Mattheüs en Lucas het werk van Marcus gekend hebben en zelf ook niet verwijzen naar deze gebeurtenissen, komen we tot de conclusie dat Marcus inderdaad voor 70 AD geschreven moet zijn.
De datering tussen 64 en 70 AD is het meest aannemelijk. Dit was een periode van christenvervolging in Rome. Het evangelie past heel goed in die situatie; het beantwoordt aan de behoefte van een vervolgde gemeente.

 

Plaats van schrijven en bestemming

Vroege tradities noemen als plaats van schrijven Italië (A.M. Proloog) of Rome (Irenaeus, Clemens van Alexandrië). Zoals eerder gezegd verbinden ze het schrijven van dit Evangelie met de prediking van Petrus. Bijbelse verwijzingen plaatsen Marcus samen met Petrus en Paulus in Rome tegen het einde van beider leven (2 Tim 4:11; 1 Pet 5:13). Het is historisch gezien waarschijnlijk dat Petrus tegen het eind van zijn leven in Rome was en daar als martelaar is gestorven. De eerste aanhalingen uit Marcus verschijnen juist in christelijke geschriften uit Rome.

Wat betreft de bestemming, leiden veel aanwijzingen naar Rome.

  • Joodse gebruiken die de Romeinen onbekend waren, legt Marcus in het kort uit (15:42; vgl. 7:3,4 met Mattheüs 15:2).
  • Hij vertaalt Aramese woorden (3:17;5:41;7:11,34; 15:22) en gebruikt relatief veel Latijnse termen (4:21 het Latijnse ‘modius’ i.p.v. het Griekse woord voor korenmaat; 12:14 het Latijnse ‘census’ i.p.v. het Griekse woord­ voor belasting; 12:42 de twee koperstukjes van de arme weduwe vergelijkt hij met de Romeinse duit) en latinismen (3:6; 14:65; 15:15).
  • Hij verwijst naar vervolging en martelaarschap (8:34-38;13:9-13), wat juist christenen in Rome zeer zou aanspreken.
  • De onmiddellijke aanvaarding en wijde invloed van dit Evangelie maakt duidelijk dat er een invloedrijke gemeente achter stond. Dat past goed bij de gemeente te Rome. Marcus is het enige Evangelie dat vertelt dat Simon van Cyrene de vader van Alexander en Rufus is, die bekend waren in Rome (Rom 16:13).
  • Een geslachtsregister ontbreekt en er worden weinig joodse feesten en gebruiken vermeld. Waar nodig wordt een toelichting gegeven (7:3,4 vgl. Matt 15:2).

Doel van het Evangelie

Zoals gezegd, schreef Marcus volgens de oudste overlevering in Rome en voor christenen in Rome rond de tijd van Petrus' dood. Petrus stierf tijdens de vervolging onder keizer Nero, die uitbarstte na de brand die in 64 na Christus grote delen van Rome in de as legde. Al snel verspreidde zich het gerucht dat de brand was aangestoken op last van Nero om ruimte te maken voor het Gouden Huis dat hij van plan was voor zichzelf te bouwen. Om de aandacht van zichzelf af te leiden, koos de keizer de christenen als zondebok. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus schreef (Annalen 15.44):

 

“Maar noch menselijke hulp, noch keizerlijke mildheid, noch alle wijzen waarop hij de hemel trachtte te verzoenen, konden het gerucht de kop indrukken of de overtuiging wegnemen dat de brand op bevel had plaats gevonden. Daarom, om het gerucht te ontkrachten, schoof Nero een groep mensen als schuldigen naar voren die werden verafschuwd om hun wandaden en door het plebs christenen werden genoemd, en strafte hen met de meest verfijnde wreedheden. Christus, de stichter van de naam, had de doodstraf ondergaan tijdens de regering van Tiberius, door de uitspraak van de procurator Pontius Pilatus. Maar het walgelijke bijgeloof, voor een tijd onderdrukt, stak weer de kop op, niet alleen in heel Judea, waar dit kwaad zijn oorsprong had, maar ook in de hoofdstad zelf, waar alle verschrikkelijke of schandelijke dingen van de wereld zich verzamelen en navolging vinden. Eerst werden dan de uitgesproken leden van de sekte gearresteerd. Daarna, op grond van hun bekentenissen, werden grote aantallen veroordeeld, niet zozeer vanwege brandstichting, maar op grond van haat tegen het menselijk geslacht. En spot begeleidde hun einde: ze werden bedekt met vellen van wilde beesten en aan stukken gereten door honden; of ze werden bevestigd aan kruisen en als het donker werd verbrand om ’s nachts als verlichting te dienen. Nero had zijn tuinen aangeboden voor het schouwspel en gaf een schouwspel in zijn circus, waarbij hij zichzelf uitgedost als wagenmenner onder de menigte begaf, of rijdend op zijn wagen. Dientengevolge, ondanks een schuld die de meest aansprekende straf had verdiend, ontstond er een gevoel van medelijden dat te wijten was aan de indruk dat zij werden geofferd niet voor het welzijn van de staat, maar ter wille van de wreedheid van een enkele man.”

 

De gemeente in Rome onderging dus felle vervolging en velen stierven op gruwelijke wijze als martelaars. Dit stelde het geloof van velen op de proef; zij hadden grote behoefte aan bemoediging en antwoorden op de brandende vraag waarom de Heer niet ingreep.Marcus bemoedigt hen in hun angst en lijden door hen te schilderen hoe Jezus geleefd en geleden heeft. De lijdensgeschiedenis vormt meer dan een derde van zijn evangelie, maar ook daarvoor komt het lijden ter sprake: verzoeking (Hij was bij de wilde dieren, 1:12-13), onbegrip (3:21-22, 30-35), de prijs van discipelschap (8:34-38), verwijzingen naar vervolging (10:30,33-34,45; 13:8,11-13), Zijn eigen lijden (8:31-33; 9:9-13). Bovendien lijkt er een parallel te zijn met het lijden van Johannes de Doper (1:14 vgl. 9:13) – nadat Johannes was overgeleverd .. om te worden terechtgesteld. Trouw en gehoorzaamheid als volgeling van Jezus Christus zullen onvermijdelijk leiden tot lijden en misschien zelfs tot de dood.

Door lijden heen is Jezus, Gods Zoon en Dienstknecht, tot overwinning gekomen. Daarin ligt de bemoediging voor vervolgde en lijdende christenen, van wie velen ook dienstknechten (slaven) waren. Er is dus een overeenkomst met de eerste brief van Petrus (zie bijv. 1 Petrus 3:17-18; 4:1-2,12-13).

Het tweede doel van het Evangelie is evangelisatie. Het is een poging de persoon van Christus en Zijn werk te schilderen als een nieuwe boodschap, zonder veel veronderstelde kennis van het O.T. De korte anekdotes, de kernachtige zinsopbouw en de toegespitste toepassingen van de waarheid zijn juist de ingrediënten voor een straatprediker die Christus verkondigt aan een toevallige groep mensen. Daarom is er ook geen geslachtsregister en geboorteverhaal, maar begint het Evangelie direct met Johannes de Doper en de komst van de Messias (NB: zoals overigens ook de prediking van Petrus in het huis van Cornelius - Hand 10:37vv).


Karakter van het Evangelie

Mattheüs schreef voor christenen uit de joden, Marcus voor Romeinen: kort en bondig, sterk gericht op daden en met veel minder aandacht voor redevoeringen of verwijzingen naar het Oude Testament. Marcus besteedt veel aandacht aan de wonderen van de Heer. Tegenover de nadruk op Jezus’ macht en autoriteit staat wonderlijk genoeg een grote nadruk op dienen (10:45). Heel lang begrepen de discipelen daar niets van. Dat leidt tot een climax in de hoofdstukken 8-10. Marcus is ook het evangelie van de persoonlijke reacties, bijv: verbaasd (1:27; 7:37), kritisch (2:7), bang (4:41), in de war (6:14), vijandig (14:1). Bij Jezus kun je niet neutraal blijven! Hoe reageer jij?

Marcus groepeert zijn stof in een rechte lijn van Galilea naar Jeruzalem. De evangelisten zijn geen droge geschiedschrijvers. Ze laten (ieder op een andere manier) zien wie Jezus is. Daarom kiest en groepeert elke evangelist zijn stof anders. Daarbij worden de feiten geen geweld aangedaan.

 

Normal 0 21 false false false NL ZH-CN X-NONE MicrosoftInternetExplorer4

Het Evangelie van Marcus

De schrijver

Het evangelie is anoniem, maar een sterke traditie wijst Marcus aan als schrijver. Eusebius haalt in zijn Kerkgeschiedenis (Boek III) de vroege kerkvader Papias aan, bisschop van Hiërapolis (ca. 140 AD), wiens werken verloren zijn gegaan. Papias op zijn beurt haalt ‘de Oudste’ aan, met wie hij waarschijnlijk de apostel Johannes bedoelt:

"Marcus, die Petrus' vertolker was, schreef alles nauwkeurig, hoewel niet in volgorde, neer van hetgeen hij zich herinnerde dat de Heer had gezegd en gedaan. Want hij had de Heer niet gehoord, noch was hij een van Zijn volgelingen geweest; maar naderhand, zoals ik zei, volgde hij Petrus, die zijn toespraken opbouwde met oog voor zijn toehoorders, niet als een doorlopend verslag van de woorden van de Heer. Markus was dus gerechtvaardigd toen hij sommige dingen opschreef zoals hij ze zich herinnerde. Want hij had maar een doel – niets weg te laten van hetgeen hij gehoord had, en niets verkeerd weer te geven."

Volgens Papias is het Evangelie van Marcus dus geen biografie zonder meer, maar een weergave van de prediking van Petrus, die zijn stof ordende met het oog op zijn gehoor. De Anti-Marcionitische Proloog (160-180 AD) noemt Marcus als schrijver en verbindt hem met Petrus. Irenaeus (ca.180 AD) schrijft het Evangelie ook aan Marcus toe. Hij zou na de dood van Petrus en Paulus de prediking van eerstgenoemde te boek hebben gesteld.

We mogen aannemen dat met de naam Marcus in het Nieuwe Testament steeds dezelfde persoon wordt bedoeld, die ook Johannes wordt genoemd (zie Hand 12:12,25;13:5,13;15:36-39; Kol 4:10; Filem 24; 2 Tim 4:11 en 1 Pet 5:13). Als jood had hij naast zijn Griekse naam ‘Markos’ ook een Hebreeuwse naam.

Marcus was de zoon van Maria, die een (groot) huis bezat in Jeruzalem en (tenminste) een slavin (Hand 12:12,13). Hij was een neef van Barnabas (Col 4:10), en volgde hem en Saulus op hun eerste zendingsreis (Hand 12:25). Marcus ging mee als helper (huperetes; Hand 13;5). Na Cyprus keerde hij terug naar Jeruzalem (Hand 13;13) - voor Paulus reden om hem tegen de zin van Barnabas niet mee te nemen op een tweede reis (15:37-39). Na deze gebeurtenissen (rond 50 AD) komt hij niet meer in de verhalen voor. Hij moet wel bij Paulus' gezelschap te Rome hebben behoord  (Col 4:10). Nog later schreef Paulus dat hij ‘van veel nut voor de dienst’ was (2 Tim 4:11).

Als ‘Babylon’ een cryptische verwijzing is naar Rome, plaatst 1 Petrus 5:13 hem gelijk met de apostel in deze stad.

Datering
Het evangelie is een weergave van Petrus' prediking te Rome (rond 65 AD). Irenaeus en de Anti-Marcionitische Proloog vermelden dat Marcus schreef na de dood van Petrus (volgens Irenaeus was Paulus ook dood) - dus na 65 AD (martelaarschap van Petrus), of zelfs na 67 AD (wrsch. terechtstelling van Paulus).

Vermoedelijk is het voor 70 AD geschreven. Marcus verwijst immers nergens naar de verwoesting van Jeruzalem en zelfs niet naar eerdere schermutselingen in de Joodse Oorlog (vanaf 67 AD). Als we er bovendien van uitgaan dat Mattheüs en Lucas het werk van Marcus gekend hebben en zelf ook niet verwijzen naar deze gebeurtenissen, komen we tot de conclusie dat Marcus inderdaad voor 70 AD geschreven moet zijn.
De datering tussen 64 en 70 AD is het meest aannemelijk. Dit was een periode van christenvervolging in Rome. Het evangelie past heel goed in die situatie; het beantwoordt aan de behoefte van een vervolgde gemeente.

Plaats van schrijven en bestemming

Vroege tradities noemen als plaats van schrijven Italië (A.M. Proloog) of Rome (Irenaeus, Clemens van Alexandrië). Zoals eerder gezegd verbinden ze het schrijven van dit Evangelie met de prediking van Petrus. Bijbelse verwijzingen plaatsen Marcus samen met Petrus en Paulus in Rome tegen het einde van beider leven (2 Tim 4:11; 1 Pet 5:13). Het is historisch gezien waarschijnlijk dat Petrus tegen het eind van zijn leven in Rome was en daar als martelaar is gestorven. De eerste aanhalingen uit Marcus verschijnen juist in christelijke geschriften uit Rome.

Wat betreft de bestemming, leiden veel aanwijzingen naar Rome.

· Joodse gebruiken die de Romeinen onbekend waren, legt Marcus in het kort uit (15:42; vgl. 7:3,4 met Mattheüs 15:2).

· Hij vertaalt Aramese woorden (3:17;5:41;7:11,34; 15:22) en gebruikt relatief veel Latijnse termen (4:21 het Latijnse ‘modius’ i.p.v. het Griekse woord voor korenmaat; 12:14 het Latijnse ‘census’ i.p.v. het Griekse woord­ voor belasting; 12:42 de twee koperstukjes van de arme weduwe vergelijkt hij met de Romeinse duit) en latinismen (3:6; 14:65; 15:15).

· Hij verwijst naar vervolging en martelaarschap (8:34-38;13:9-13), wat juist christenen in Rome zeer zou aanspreken.

· De onmiddellijke aanvaarding en wijde invloed van dit Evangelie maakt duidelijk dat er een invloedrijke gemeente achter stond. Dat past goed bij de gemeente te Rome. Marcus is het enige Evangelie dat vertelt dat Simon van Cyrene de vader van Alexander en Rufus is, die bekend waren in Rome (Rom 16:13).

· Een geslachtsregister ontbreekt en er worden weinig joodse feesten en gebruiken vermeld. Waar nodig wordt een toelichting gegeven (7:3,4 vgl. Matt 15:2).

Doel van het Evangelie

Zoals gezegd, schreef Marcus volgens de oudste overlevering in Rome en voor christenen in Rome rond de tijd van Petrus' dood. Petrus stierf tijdens de vervolging onder keizer Nero, die uitbarstte na de brand die in 64 na Christus grote delen van Rome in de as legde. Al snel verspreidde zich het gerucht dat de brand was aangestoken op last van Nero om ruimte te maken voor het Gouden Huis dat hij van zins was voor zichzelf te bouwen. Om de aandacht van zichzelf af te leiden, koos de keizer de christenen als zondebok. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus schreef (Annalen 15.44):

“Maar noch menselijke hulp, noch keizerlijke mildheid, noch alle wijzen waarop hij de hemel trachtte te verzoenen, konden het gerucht de kop indrukken of de overtuiging wegnemen dat de brand op bevel had plaats gevonden. Daarom, om het gerucht te ontkrachten, schoof Nero een groep mensen als schuldigen naar voren die werden verafschuwd om hun wandaden en door het plebs christenen werden genoemd, en strafte hen met de meest verfijnde wreedheden. Christus, de stichter van de naam, had de doodstraf ondergaan tijdens de regering van Tiberius, door de uitspraak van de procurator Pontius Pilatus. Maar het walgelijke bijgeloof, voor een tijd onderdrukt, stak weer de kop op, niet alleen in heel Judea, waar dit kwaad zijn oorsprong had, maar ook in de hoofdstad zelf, waar alle verschrikkelijke of schandelijke dingen van de wereld zich verzamelen en navolging vinden. Eerst werden dan de uitgesproken leden van de sekte gearresteerd. Daarna, op grond van hun bekentenissen, werden grote aantallen veroordeeld, niet zozeer vanwege brandstichting, maar op grond van haat tegen het menselijk geslacht. En spot begeleidde hun einde: ze werden bedekt met vellen van wilde beesten en aan stukken gereten door honden; of ze werden bevestigd aan kruisen en als het donker werd verbrand om ’s nachts als verlichting te dienen. Nero had zijn tuinen aangeboden voor het schouwspel en gaf een schouwspel in zijn circus, waarbij hij zichzelf uitgedost als wagenmenner onder de menigte begaf, of rijdend op zijn wagen. Dientengevolge, ondanks een schuld die de meest aansprekende straf had verdiend, ontstond er een gevoel van medelijden dat te wijten was aan de indruk dat zij werden geofferd niet voor het welzijn van de staat, maar ter wille van de wreedheid van een enkele man.”

· De gemeente in Rome onderging dus felle vervolging en velen stierven op gruwelijke wijze als martelaars. Dit stelde het geloof van velen op de proef; zij hadden grote behoefte aan bemoediging en antwoorden op de brandende vraag waarom de Heer niet ingreep.
Marcus bemoedigt hen in hun angst en lijden door hen te schilderen hoe Jezus geleefd en geleden heeft. De lijdensgeschiedenis vormt meer dan een derde van zijn evangelie, maar ook daarvoor komt het lijden ter sprake: verzoeking (Hij was bij de wilde dieren, 1:12-13), onbegrip (3:21-22, 30-35), de prijs van discipelschap (8:34-38), verwijzingen naar vervolging (10:30,33-34,45; 13:8,11-13), Zijn eigen lijden (8:31-33; 9:9-13). Bovendien lijkt er een parallel te zijn met het lijden van Johannes de Doper (1:14 vgl. 9:13) – nadat Johannes was overgeleverd .. om te worden terechtgesteld. Trouw en gehoorzaamheid als volgeling van Jezus Christus zullen onvermijdelijk leiden tot lijden en misschien zelfs tot de dood.

· Door lijden heen is Jezus, Gods Zoon en Dienstknecht, tot overwinning gekomen. Daarin ligt de bemoediging voor vervolgde en lijdende christenen, van wie velen ook dienstknechten (slaven) waren. Er is dus een overeenkomst met de eerste brief van Petrus (zie bijv. 1 Petrus 3:17-18; 4:1-2,12-13).

· Het tweede doel van het Evangelie is evangelisatie. Het is een poging de persoon van Christus en Zijn werk te schilderen als een nieuwe boodschap, zonder veel veronderstelde kennis van het O.T. De korte anekdotes, de kernachtige zinsopbouw en de toegespitste toepassingen van de waarheid zijn juist de ingrediënten voor een straatprediker die Christus verkondigt aan een toevallige groep mensen.

· Daarom is er ook geen geslachtsregister en geboorteverhaal, maar begint het Evangelie direct met Johannes de Doper en de komst van de Messias (NB: zoals overigens ook de prediking van Petrus in het huis van Cornelius - Hand 10:37vv).

Karakter van het Evangelie

Mattheüs schreef voor christenen uit de joden, Marcus voor Romeinen: kort en bondig, sterk gericht op daden en met veel minder aandacht voor redevoeringen of verwijzingen naar het Oude Testament. Marcus besteedt veel aandacht aan de wonderen van de Heer. Tegenover de nadruk op Jezus’ macht en autoriteit staat wonderlijk genoeg een grote nadruk op dienen (10:45). Heel lang begrepen de discipelen daar niets van. Dat leidt tot een climax in de hoofdstukken 8-10. Marcus is ook het evangelie van de persoonlijke reacties, bijv: verbaasd (1:27; 7:37), kritisch (2:7), bang (4:41), in de war (6:14), vijandig (14:1). Bij Jezus kun je niet neutraal blijven! Hoe reageer jij?

Marcus groepeert zijn stof in een rechte lijn van Galilea naar Jeruzalem. De evangelisten zijn geen droge geschiedschrijvers. Ze laten (ieder op een andere manier) zien wie Jezus is. Daarom kiest en groepeert elke evangelist zijn stof anders. Daarbij worden de feiten geen geweld aangedaan.

 
maandag, 16 november 2009 14:55

Het Evangelie van Mattheüs

 

469px-the_evangelist_matthew_inspired_by_an_angel Het eerste evangelie vormt een brug tussen het Oude en Nieuwe Testament. Het wijst heel vaak terug om de boodschap te benadrukken: Jezus is de beloofde Koning, de Messias, de grote Zoon van David.


De schrijver

Nergens vermeldt de evangelist zijn naam. De naam Mattheüs komt voor in 9:9 en 10:3, maar hij noemt zichzelf daar niet de schrijver. De titel ‘Evangelie naar Mattheüs’ is pas rond 125 AD toegevoegd door kerkvaders als Papias van Hiërapolis, (100-150 AD) en Eusebius van Caesarea (… 339 AD): "Mattheüs heeft in de Hebreeuwse (Aramese) taal de redevoeringen van de Heer samengesteld en zo goed als hij kon heeft hij ze vertaald" (in het Grieks).

Lees meer...
 

Het Evangelie van Lucas


St Lucas icoon

Schrijver

 

 

De schrijver van dit evangelie noemt zijn naam niet, maar al sinds de 2e eeuw AD wordt Lucas unaniem als auteur genoemd. Zonder vroege en betrouwbare overlevering zou men waarschijnlijk de naam van een apostel of andere discipel van het eerste uur hebben genoemd. De interne bewijzen zijn met die traditie in overeenstemming. Blijkens de inleiding was de schrijver geen ooggetuige van het leven van Jezus, maar heeft hij zulke getuigen geraadpleegd voordat hij zijn boek schreef. Uit zijn werk leren we hem kennen als een zorgvuldig man met een hoge opleiding.

De inleiding  van het Evangelie lijkt sterk op die van de Handelingen; ook de stijl en woordkeus van beide boeken vertonen grote overeenkomst (vgl. Lucas  1:1-3  en Hand 1:1; Lucas 24:36vv en Hand 1:1-11). Het is duidelijk dat dezelfde man beide boeken geschreven heeft. De twee boeken zijn als een eenheid bedoeld: Hand.1:1  ..wat Jezus begonnen is te doen en te  leren...

Uit Handelingen zelf kunnen we met grote zekerheid opmaken dat Lucas de schrijver is geweest. Een deel van het boek is namelijk geschreven in de wij-vorm (16:10-17; 20:5-16; 21:1-18; 27:1-28:16). Kennelijk heeft de schrijver zich in Troas bij Paulus' gezelschap aangesloten tijdens de tweede zendingsreis (vgl. 16:9 en 10). In Filippi is hij achtergebleven om voor de jonge gemeente te zorgen, toen Paulus en Silas na hun vrijlating de stad moesten verlaten (vgl. 16:17 en 18). Toen Paulus op zijn derde reis weer door Filippi kwam op weg van Macedonië naar Troas, is de schrijver weer met hem meegegaan (20:4 en 5) en tot het einde toe in zijn gezelschap gebleven.

Van Paulus' trouwste medewerkers vallen verschillenden af op grond van de tekst van Handelingen zelf: Silas (16:19vv), Timotheüs e.a. (20:4,5) en Marcus (13:13). Titus was tijdens de laatste dagen van Paulus niet bij hem in Rome (2 Tim 4:10). Lucas is de enige van Paulus' gezelschap die overblijft (2 Tim 4:11).


 

Wie was Lucas?

(1)  Afkomstig uit Antiochië, met nauwe banden in Filippi

  • Zijn interesse voor Antiochië blijkt uit de vele verwijzingen naar die stad (Hand 11:19-27; 13:1-3; 14:26; 15:22,38; 18:22).
  • De manier waarop Lucas schreef over Filippi in Hand 16:12 toont zijn band met die stad.
  • Verder weet Lucas details te vermelden over Antiochië:
  1. dat Nicolaus een jodengenoot was uit Antiochië (Hand 6:5).
  2. de namen van de profeten en leraars (Hand 13:1).

(2) Een bekeerling uit de heidenen, hoogst waarschijnlijk een Griek.

(3) Een arts.

 

  • Col 4:14
  • Zijn stijl van schrijven verraadt medische interesse:
  1. Hij noemt naar verhouding veel genezingen.
  2. ‘verkromd’ is een medische term (13:11).
  3. Marc 1:13 spreekt over koorts, maar Lucas spreekt over "zware koorts" (12:53). In die tijd onderscheidden medici slechts "lichte" en "zware koorts".
  4. Lucas vermeldt i.t.t. Marc 1:23-28 dat bij de uitdrijving van de boze geest de persoon geen letsel ondervond (Luc 4:33-37).
  5. Lucas vermeldt als enige evangelist de genezing van het oor van Malchus (22:51).
  6. Het doktersgilde wordt enigszins in ‘bescherming’ genomen (vgl. 8:43 en Marc 5:26).

(5) Een schrijver

  • Zijn stijl en woordkeus is gevarieerd. Niet minder dan 266 woorden komen nergens anders voor in het Nieuwe Testament. Mattheüs bereikt niet eens het halve aantal en Marcus maar een derde.
  • Zijn evangelie bevat vier liederen: 1:46-55; 1:67-79; 2:14; 2:29-32.
  • Hij bouwt op naar een climax. Zie bijv. de gelijkenissen over "het verlorene" (Luc 15).

(6)

 

Een geschiedschrijver.

  • Uit 1:1-4 blijkt dat Lucas
  1. betrouwbare bronnen heeft geraadpleegd,
  2. de verzamelde feiten op orde gesteld heeft (vermoedelijk, maar niet per se chronologisch),
  3. wilde aantonen dat gelovigen geen  verzinsels zijn nagevolgd.
  • Lucas-Handelingen beschrijft de periode van de aankondiging van Johannes’ geboorte tot de verkondiging van het evangelie in Rome. Het evangelie overtreft de andere drie in tijdspan: van de voorzegging van Johannes’ geboorte tot aan de hemelvaart. Het geslachtsregister gaat niet terug tot Abraham (Mattheüs), maar tot Adam.
  • Lucas plaatst de gebeurtenissen in het kader van zijn tijd. “Er was in de dagen van Herodes (de Grote), de koning van Judea, een priester, genaamd Zacharias...” (1:5). Zie ook: 1:36,56,59; 2:1,2,7,42; 3:23; 9:28,37,51; 22:1,7,66; 23:44,54; 24:1,13,29,33.
  • Lucas vermeldt ook persoonlijke gegevens zoals:
    • Anna is 84 jaar (2:36,37).
    •  

      De vrouw is 18 jaar ziek (13:13).
    • De besnijdenis op de 8e dag (2:21).
    • Jezus op 30 jarige leeftijd (3:23).
  • Terwijl Mattheüs zijn stof duidelijk thematisch ordent, laat Lucas Jezus' woorden waarschijnlijk in hun historische verband staan, bijv:
  1. Lucas vermeldt eerst de roeping van de twaalf discipelen en dan pas de Bergrede (6:12-49). Mattheüs begint met de Bergrede (5,6,7). Pas in 10:1-4 zien we de roeping der twaalf apostelen.
  2. Eerst komt iemand met een vraag over een erfenis kwestie, dan vertelt Jezus de gelijkenis van de rijke dwaas (12:13-21).

    (7) Een vriend van Paulus.

    • zijn reisgenoot en medearbeider (Filém 24)
    • is blijkens tot Paulus’ dood bij hem in Rome gebleven (Hand 27:1vv. en 2 Tim 4:11)
    • hij legt vaak een soortgelijke nadruk als Paulus
    • Paulus’ boodschap dat ‘zondaars worden gerechtvaardigd door het geloof’ vinden we in Lucas’ evangelie terug:
    1.  

      Nadat de Farizeeën Jezus verweten dat Hij met zondaars omging, vertelde Hij de gelijkenissen van het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon. Vooral in de laatste gelijkenis blijkt de eigen gerechtigheid van de oudste zoon en Gods gerechtigheid bij de jongste (hst.15).
    2. Het voorval van de farizeeër en de tollenaar (18:9-14).
    3. De avondmaalswoorden (22:19) lijken op die van Paulus (1 Kor 11:24) i.t.t. Matt 26:26 en Marc 14:22.
    4. Evenals bij Paulus (Fil 4:4,5) vinden we bij Lucas "het goede nieuws van het geloof" (1:14,44,47; 2:10; 15:17; 24:41,52).
    5. Evenals Paulus toont Lucas het universele karakter van het evangelie:
      • 2:32 ‘..tot een licht voor de heidenen’.
      • 3:38 Het geslachtsregister gaat tot Adam.
      • 4:25-27 De weduwe van Sarfat en Naäman.
      • 9:51-56 Geen oordeel over de Samaritanen.
      • 10:1-20 Alleen Lucas spreekt over de 70 discipelen vgl. de 70 volkeren van Gen.10.
      • 13:29 Niet alleen van ‘oost en west’  (Matt 8:11) maar ook van ‘noord en zuid’.
      Evenals bij Paulus neemt het gebed een belangrijke plaats in.

       Datum en plaats

       

       De datering van het evangelie hangt af van die van Handelingen dat immers het  vervolg erop is. Handelingen moet geschreven zijn na Paulus' aankomst (60 AD?) en twee jaar huisarrest in Rome (Hand 28:30). Evangelie en Handelingen kunnen dus niet eerder dan 62 AD voltooid zijn.
      Omdat Lucas niets vertelt over de verschrikkelijke gebeurtenissen in 64 AD (de grote brand van Rome en de daarop volgende christenvervolgingen) heeft hij waarschijnlijk voor dat jaar geschreven – dus tussen 62 en 64 AD.
      Ook de profetie over de verwoesting van Jeruzalem (19:41-44; 21:20-28) verwijst naar een nog onvervulde toekomst. Dat wijst erop dat het Evangelie in ieder geval voor het jaar 70 geschreven is.



       

      Doelgroep

      Beide boeken zijn opgedragen aan Theofilus ('door God beminde'). De aanspreektitel 'hoogedele' (Luc 1:3) duidt erop dat hij een hooggeplaatst Romeins functionaris of edelman was. Of hij was een functionaris aan wie Lucas zijn evangelie schreef ten behoeve van Paulus’ verdediging, òf hij was een pas bekeerd christen – dan is het geschreven om hem verder te onderwijzen en te versterken door de betrouwbaarheid  van het geloof te benadrukken.

      Kennelijk had Lucas meer lezers op het oog en dat zijn vooral heidenen geweest. Hij plaatst de gebeurtenissen in Palestina in het verband van de geschiedenis van het Imperium, geeft een toelichting bij Joodse gebruiken en plaatsen, vervangt Aramese termen door Griekse, en citeert weinig uit het Oude Testament (alleen in directe uitspraken van Jezus).

      Lucas wil meer dan alleen een betrouwbaar historisch verslag schrijven. Hij wil een boodschap overbrengen: Jezus is de Zoon des mensen, die is gekomen als Verlosser voor alle mensen.

       

      Karakter van het Evangelie

      (1) Lucas tekent vooral Jezus als de Zoon van God die waarlijk mens geworden is. Hij toont Jezus in zijn erbarmen met de lijdende mensheid.

      • Barmhartigheid.
       
        • De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan   (10:25-37).
        • Vergelijk 6:36 met Matt 5:48.
          • Bewogenheid.
            • De weduwe die haar enige zoon ging begraven (7:13).
            • Alleen Lucas vermeldt dat het een enigst kind betreft (8:41,vgl. Matt 9:18).
            • Ook hier betreft het een enigst kind volgens Lucas (9:38,vgl. Matt 17:15).
            • ‘Weent niet om Mij, maar om uw kinderen’ (23:28-31).
            • ‘Vader vergeef het hun..’ (23:34).
              • Belangstelling voor ontspoorde mensen.
                • De zondares die Jezus’ voeten zalft (7:36-50).
                • Zacheus (19:1-10).
                  • Belangstelling voor mensen die het moeilijk hebben.
                  1. Lucas heeft het over ‘goed doen’ (6:33) en Mattheüs over ‘groeten’ (Matt 5:47).
                  2. Alleen Lucas heeft "wees royaal"   (6:38,vgl. Matt 7:1,2).
                  3. ‘Armen, verminkten, kreupelen en blinden’ (14:21,vgl. Matt 22:9,10).
                  4. De gelijkenis van de rijke N.N. en de arme Lazarus (16:19-31).
                  5. Veel gelijkenissen gaan over het contrast arm/rijk.

                  (2)     Het gebed neemt in dit evangelie een grote plaats in.

                  • Lucas noemt negen keren dat Jezus bad; zeven daarvan noemt hij alleen.
                    • Het gebed van Zacharias, Simeon en Anna (1:13; 2:29,37).
                    • Alleen Lucas vermeldt dat Jezus bad bij zijn doop (3:21,vgl. Matt 3:16);
                    • … voordat hij zijn discipelen koos (6:12,13,vgl. Matt 10:1-4)
                    • … voordat hij over Zijn lijden vertelde (9:18-22,vgl. Matt 16:13-21).
                    • … voordat hij zijn discipelen het ‘onze Vader’ leerde (11:1-4,vgl. Matt 6:9-13).
                      • Gelijkenissen over het gebed alleen in Lucas:
                        • 11:5-8,   "De onbeschaamde vriend".
                        • 18:2-8,   "De onrechtvaardige rechter".
                        • 18:10-14, "De farizeeër en de tollenaar".
                          • Aan de oproep tot waakzaamheid wordt bidden verbonden (21:36, vgl. Matt 25:13; Marc 13:23).
                          • Bidden om de Heilige Geest (11:13, vgl. Matt 7:11).
                          • Alleen in Lucas lezen we dat Hij "des te vuriger bad" (22:43,44).
                          • Van de drie kruiswoorden in Lucas zijn er twee een gebed (23:34,46).
                          • Lucas laat zien dat het leven van de Here Jezus wordt gekenmerkt door gebed (5:16; 9:28,29; 22:31,32).

                          (3)     De Heilige Geest wordt vaak vermeld.

                          • Johannes de Doper zal "vervuld worden met de  Heilige Geest (1:15).
                            • "De Heilige Geest zal over u (Maria) komen" (1:35).
                            • Elisabeth en Zacharias waren vervuld met de Geest (1:41,67).
                            • Simeon en de Heilige Geest (2:25-27).
                            • "Jezus nu, vol van de Heilige Geest.." (4:1,vgl. Matt 4:1).
                            • Het optreden in Nazareth begint met: "en de Geest des Heren is op Mij.."(4:14,18).
                            • De Here Jezus "verheugde zich in de Geest" (10:21,vgl.Matt 11:25).
                            • De Heilige Geest zal u leren wat gij spreken zult (12:12).
                            • De belofte van de Geest (24:49).

                          (4)     De vrouw krijgt veel aandacht in dit evangelie.

                          • De geboorte van Jezus wordt belicht vanuit de positie van Maria (1:26-56,vgl. Matt 1:18-25).
                            • Lucas vermeldt een groot aantal vrouwen: 1:5,27; 2:36; 4:26,38; 7:12,37; 8:2,3,42,43; 10:38,39; 13:11; 17:32; 21:3; 23:27,28; 23:49,55; 24:1-11; 24:10.

                          (5)     Mensen die God verheerlijken in lied en dankzegging.

                          • zie: 1:46-55 (Magnificat); 1:68-79 (Benedictus); 2:14 (Gloria in Excelsis); 2:29-32 (Nunc Dimittis); 2:20; 5:25,26; 7:16; 13; 17:15; 23:47.

                           

                          Het Evangelie van Johannes


                           

                          Schrijver

                          De schrijver noemt zijn naam niet. Vanouds is dit evangelie toegeschreven aan Johannes, de discipel die Jezus liefhad. Dat steunt vooral op het getuigenis van enkele oude christelijke schrijvers: Eusebius (ca. 325 AD) en Irenaeus (ca. 185). Irenaeus was bisschop van Lyon, maar kwam oorspronkelijk uit Klein-Azië. Daar was hij een leerling geweest van Polycarpus die op zijn beurt weer een persoonlijk discipel van Johannes was geweest. Ook maakte hij zware vervolgingen mee in Gallië waarbij vele christenen als martelaars stierven; dat moet hem opnieuw bepaald hebben bij de betrouwbaarheid van de boodschap (en dus de geschriften zoals de evangeliën) waarvoor deze mensen op een vaak gruwelijke manier hun leven gaven.

                            P52John_Rylands_papyrus Naast deze twee belangrijke getuigen zijn er nog vele andere vroege christenen die Johannes als schrijver van  het vierde Evangelie noemen. Samengevat is er ruim bewijs dat het in het laatste kwart van de tweede eeuw in de orthodoxe kerk algemeen aanvaard werd naast de synoptische evangeliën.  Overigens bevat een van de oudste manuscripten, het Rylands papyrus (P52, ca. 125 AD) uit Egypte, een fragment van Johannes 18. Dat bevestigt de ouderdom van het Evangelie.

                          Het Evangelie zelf wijst op de schrijver als

                          • Een Jood uit Palestina
                          • Een ooggetuige (1:14; 19:35; 21:24)
                          • Een apostel
                          • De apostel Johannes

                          Datum en plaats

                          Een precieze datum is moeilijk te bepalen – zelfs of Johannes het Evangelie voor of na Patmos schreef. Tegenover de bijbelkritiek is in ieder geval duidelijk bevestigd dat het vóór 125 AD moet zijn. De meest waarschijnlijke tijd is tussen 80 en 98 AD in Efeze, waar Johannes als opziener van de gemeenten in Klein-Azië zijn laatste jaren doorbracht.


                          Doelgroep

                          Verzen als 3:16, 10:16 en 12:32 maken duidelijk dat Johannes een brede doelgroep op het oog had. Hij geeft zijn doel duidelijk aan in 20:30,31 (vgl. 1 Joh 5:13): "Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam."

                          Het vierde Evangelie benadrukt dat Jezus werkelijk mens was, maar tegelijk meer dan mens: de Christus, de Zoon van God. Hij was dus de vervulling van de Messiaanse beloften in het Oude Testament. Juist dit Evangelie legt er de nadruk op dat Jezus de Zoon van God is:

                          • Verwoord in de proloog (1:1-18)
                          • Gedemonstreerd in de tekenen
                          • Uitgesproken in toespraken en woordenwisselingen (bv. 5:16-18; 8:47-59; 10:30-33; 19:7)
                          • Benadrukt in zijn dood en opstanding (vgl. 3:16-17; 6:40)

                          Doel

                          Het doel is in de eerste plaats evangelisatie en geloofsopbouw. Daarnaast kan ook bescherming van jonge christenen tegen de dwaalleer van de opkomende Gnostiek een rol spelen. Die erkende juist niet dat God mens geworden was, maar sprak liever van een Christusgeest die de mens Jezus overschaduwde. De Gnostiek werd in de 2e eeuw de aartsvijand van het Christendom.

                          Sleutelwoorden in Johannes’ doelstelling zijn ‘tekenen’, ‘geloven’ en ‘leven’.

                          Tekenen

                           

                          Het Nieuwe Testament gebruikt krachten, wonderen en tekenen (semeia) als synoniemen met verschillende nadruk: de bron (Gods kracht), de uitwerking (verwondering), de betekenis (boodschap). Johannes gebruikt stelselmatig het laatste woord. Ieder wonder ‘betekent’ iets. Door de tekenen komt het geloven, door het geloven leven. Johannes beschrijft Jezus’ tekenen om te laten zien wie Hij is: de Zoon van God, de Almachtige. Het grootste teken van allemaal is Jezus’ opstanding uit de dood.

                          Geloven

                           

                          Het werkwoord ‘geloven’ komt 106 keer voor in 85 verzen; niet éénmaal het zelfstandig naamwoord ‘geloof’. Kennelijk ligt de nadruk op het geloven als daad.

                           ..opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God..

                          • De inhoud van het geloof is Jezus Christus, de Zoon van God (2:23; 3:16; 5:38,46,47;enz.)
                          • Geloven is een persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus.
                          • Een persoonlijk antwoord op Gods openbaring van de Persoon, het woord en het werk van Jezus Christus.

                          Geloven betekent:

                          • iets als waar aannemen
                          1. niet blindelings: juist daarom neemt Johannes al de moeite om te beschrijven wat hij gehoord, gezien en getast heeft (1 Joh.1:1-3) en benadrukt hij de tekenen en essentiële details (19:35).
                          • vertrouwen dat Gods beloften waar zijn
                          • Gods beloften binnengaan
                          1. Bovendien betekent geloven (m.n. in de  Hebreeënbrief) trouw zijn – ‘in Hem  blijven’, 6:56vv;15:1vv;17:1vv.

                          Johannes maakt onderscheid tussen:

                          • de velen die tijdelijk en oppervlakkig geloven wegens de tekenen die Hij deed, 2:23vv;7:31;10:42;11:45;12:11; vooral 6:66.
                          • de weinigen die bij Hem blijven (6:68vv), voor wie geldt dat:
                          1. zij de stem van de Herder horen en volgen, 10:1vv.
                          2. zij uit God zijn, 8:47.
                          3. zij uit de waarheid zijn, 18:37.
                          4. zij een geschenk van de Vader aan de Zoon zijn, 10:29.
                          5. zij zijn uitgekozen om heen te gaan en vrucht te dragen, 15:16.
                          6. zij zijn gekomen omdat de Vader hen getrokken heeft, 6:44.
                          7. niemand hen kan roven uit de hand Zijns Vaders, 10:29.
                          8. Hij over hen waakt, 17:12.
                          9. Hij hen heiligt, 17:19.
                          10. Hij hun Gods naam openbaart, 17:6.
                          11. Hij voor hen bidt, 17:9.
                          12. Hij hun de woorden Gods geeft, 17:8.

                          Johannes gebruikt veel uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde betekenen als ‘geloven’, zoals: komen tot Jezus, 5:40; Jezus volgen, 8:12; Jezus aannemen als het Licht, 1:12; Hem aanschouwen, 12,45; in Hem blijven,15:4-7.

                          Tegenstellingen van geloven zijn: Hem niet aannemen, 1:11; niet kennen, 1:10; niet geloven, 3:18; de Zoon ongehoorzaam zijn, 3:38; niet tot Hem willen komen, 5:40; Hem haten, 7:7; Zijn woord niet bewaren, 12:47; Hem verwerpen, 12:48; niet liefhebben, 14:24.

                          Leven

                           

                          Ook dit woord komt vaak (32x) voor in dit evangelie. Het is de vorm van leven die ‘in de Vader’ is en die aan de Zoon is meegedeeld, 5:26.

                          Het is ‘het leven’ dat mensen als gevolg van de zondeval missen, maar waaraan zij deel krijgen door het geloof in  Jezus Christus, 3:15. Het manifesteert zich in gemeenschap met God, door het kennen van Jezus Christus (17:3). Buiten God om is geen leven mogelijk. Het van God onafhankelijke ‘leven’ moet plaats maken voor het eeuwige leven (12:25). Het is een heel nieuwe manier van leven in verbondenheid met Christus (10:1vv;15:1vv,9vv).

                          'Leven' heeft ook een moreel aspect. Het gaat hand in hand met gerechtigheid en heiligheid - je hele persoon en bestaan laten beheersen door  Jezus als Zoon van God). Dat betekent: niet meer tot de wereld behoren, (15:19; 17:14,16) en niet meer in leugen leven  (8:44vv). Wie het leven bezit kan voor God bestaan en komt niet in het oordeel (5:24). Er is ook een nauwe relatie tussen ‘leven’ en ‘opstanding’ (11:25,26).


                          Karakter van het Evangelie

                          Evenals in de Openbaring speelt het getal ‘zeven’ een grote rol in het evangelie - hoewel het getal zelf niet uitdrukkelijk genoemd wordt. Zeven is het getal van de goddelijke volheid. Hierdoor benadrukt Johannes opnieuw wie Jezus is: God zelf (10:30).

                          • zeven keer ‘Ik ben’ – 8:58 "Voorwaar voorwaar,ik zeg u: eer Abraham was, ben ik Å"
                          • zeven tekenen: Kana, de zoon van de hoveling, de verlamde in Bethesda, spijziging van de 5000, gaan over de zee, genezing van de blindgeborene, opwekking van Lazarus.
                          • zeven gesprekken: Natanael, Nicodemus, de Samaritaanse vrouw, de overspelige vrouw, de blindgeborene, Martha, Petrus en de discipelen.

                          Door deze zeven persoonlijke gesprekken benadrukt Johannes dat ieder mens persoonlijk moet reageren op Jezus Christus. Geloven betekent: binnengaan, reageren.

                           
                          << Start < Vorige 1 2 3 4 5 Volgende > Einde >>

                          Pagina 4 van 5