Afdrukken
donderdag, 27 januari 2011 19:34

Zondvloedgeologie

rainGenesis 6-9 vertelt het verhaal van de zondvloed die de hele aarde bedekte, zelfs de hoogste bergen, en alle leven vernietigde. Gods scheppingswerk wordt ongedaan gemaakt: de Geest trekt zich terug, het water loopt weer over het droge land, het leven verdwijnt en de chaotische leegte keert terug. Tot het keerpunt: En God dacht aan Noach ... Dan waait Gods wind (Hebr. ruach, adem, Geest) weer over het water. Het daalt en land, orde, leven keren terug. Na een jaar strandt Noach's ark op de berg Ararat en vandaar verspreidt de mensheid zich opnieuw over de aarde. Noach krijgt vrijwel dezelfde zegen en opdracht als Adam. De schepping krijgt een herkansing.

Jonge- en oude-aarde creationisten zien in deze catastrofe de oorsprong van alle fossielhoudende gesteentelagen op aarde. Zondvloedgeologie speelt dus een sleutelrol in hun verklarende model. Dat gold algemeen tot in de vroege 19e eeuw. Toen kwamen voor het eerst geologen op grond van veldstudie tot de conclusie dat de aarde zeer oud moest zijn. Dat gold ook voor uitgesproken christelijke geologen. De uitgestrekte leem- en grindlagen en zwerfkeien van Noordwest Europa werden begrepen als resten van de zondvloed. Fossiele schelpenbanken en vissen hoog in de Alpen en Pyreneeën waren het gevolg van de enorme krachten tijdens de zondvloed waardoor sommige gebieden werden opgeheven en vervormd terwijl andere wegzonken.

Zondvloedgeologie spreekt de wetenschappelijke consensus in de geologie, natuur- en scheikunde, moleculaire genetica, evolutiebiologie, archaeologie en paleontologie tegen. De wetenschappelijke gemeenschap beschouwt het dan ook als pseudowetenschap.

rainbowDe geschiedenis van de zondvloedgeologie is op allerlei plaatsen op het internet te vinden en laat ik hier dus maar grotendeels achterwege. In creationistische kring ligt het begin in de 20e eeuw bij de Adventistische amateurgeoloog George McCready Price. Zijn werk werd door Henry M. Morris en John C. Whitcomb, Jr. opgenomen en aangevuld in hun boek The Genesis Flood van1961. Whitcomb was geprikkeld door het lezen van The Christian View of Science and Scripture (1954) van de theoloog en apologeet Bernard Ramm. Die bepleitte de opvatting dat christen-wetenschappers de scheppingsdagen niet per se hoefden zien als letterlijke etmalen. Volgens Ramm waren er alternatieve verklaringen mogelijk die zowel bijbels waren als in harmonie met het wetenschappelijk bewijs. Morris en Whitcomb betoogden dat de aarde geologisch recent is, dat de zondeval heeft geleid tot de tweede wet van de thermodynamica en dat de zondvloed het overgrote deel van de aardlagen heeft neergelegd in het bestek van een enkel jaar. Ramm steunde de standpunten van de American Scientific Affiliation (ASA), een verband van christen-natuurwetenschappers die afstand namen van de zondvloedgeologie en zich niet wilden laten leiden door een literalistische interpretatie van de Bijbel. In reactie organiseerden jonge-aarde zondvloedgeologen zich in Morris' Institute for Creation Research. Dit heeft grote invloed onder behoudende christenen wereldwijd.

 

Argumenten voor een wereldwijde zondvloed

Fossielen

De geologische kolom en het fossiele archief zijn de belangrijkste bewijsstukken in de moderne wetenschappelijke verklaring van de ouderdom van de aarde en de ontwikkeling van het leven. Jonge-aarde creationisten als Morris en Whitcomb ontkennen dat het fossiele verslag in de geologische kolom de evolutie van he leven gedurende miljoenen jaren rpresenteert. De ouderdom van de fossielen hangt af van de tijdsduur die men de geologische kolom toekent, en volgens hen is dat een jaar. Sommige zondvloedgeologen betwisten het bestaan van de totale geologische kolom, omdat men gidsfossielen gebruikt om geografisch ver van elkaar verwijderde aardlagen met elkaar in verband te brengen. Fossielen worden vaak gedateerd ten opzichte van nabije lagen met gidsfossielen waarvan de ouderdom is bepaald door hun plaats in de geologische kolom. 

cambrische_explosie_vs_DarwinAndere creationisten aanvaarden de geological kolom en geloven dat hij een reeks gebeurtenissen weerspiegelt die zich kunnen hebben voltrokken tijdens de zondvloed. Dit is de benadering van Institute for Creation Research geologen als Andrew Snelling, Steven A. Austin en Kurt Wise, en van Creation Ministries International. Zij wijzen de Cambrische explosie — het geologisch gezien plotselinge verschijnen van een menigte fossiele levensvormen in het vroege Cambrium - aan als de ondergrens van de zondvloedlagen. Ze verklaren de aanwezigheid in zulke sedimenten van fossielen die verderop in de aardlagen niet voorkomen als deel van het leven dat in de zondvloed omkwam, en de afwezigheid van gefossiliseerde latere levensvormen (zoals zoogdieren en bedektzadige planten) als gevolg van erosie van de zondvloedsedimenten toen het water zich terugtrok. Creationisten benadrukken dat fossilisatie alleen kan plaatsvinden wanneer een organisme snel begraven wordt om het te beschermen tegen aaseters of ontbinding. Ze stellen dat het fossiele verslag het bewijs is van een enkele rampzalige wereldwijde vloed en niet de weergave van een reeks opeenvolgende langzame veranderingen over miljoenen jaren.

fossilisatie-verdronken_dieren Zondvloedgeologen hebben veel hypothesen aangedragen om de volgorde van de fossielen in de aardlagen te rijmen met het letterlijke verslag van de zondvloed. Whitcomb en Morris hebben drie mogelijke factoren genoemd. De eerste is hydrologisch: het verschil in drijfvermogen van de karkassen - afhankelijk van de vorm en dichtheid van de organismen - bepaalde de plaats en volgorde waarin hun resten tot rust kwamen op de bodem van de wateren van de zondvloed. De tweede was ecologische zonering, waarbij organismen op de bodem van de oceaan het eerst stierven en degene in de hoogst gelegen gebieden het laatst. De derde was anatomisch en gedragsbepaald: de meest mobiele en intelligente dieren konden het langst voor het water uitvluchten voordat ze achterhaald werden en verdronken. Sommige creationisten geloven dat olie en steenkoollagen snel gevormd werden in sedimentatielagen toen vulkanen of vloedwateren bossen verpletterden en begroeven. Ze menen dat de plantengroei snel werd omgezet in olie en steenkool vanwege de hitte die vrijkwam toen onderaardse watermassa's werden ontketend tijdens de zondvloed of toen het werd samengeperst door water en sediment. Creationisten blijven zoeken naar aanwijzingen voor hun voorgestelde scenario, zoals bewijs van snelle formatie van olie- en steenkoollagen. Ze wijzen op vermeende sporen van regendruppels en golfribbels op de grens van aardlagen, soms in combinatie met het geclaimde samengaan van voetsporen van mensen en dinosauriërs. Tenminste een deel van die claims bleek op misvattingen te berusten.

  

Wijdverbreide zondvloedverhalen

pg_BlackSea In zeer veel culturen, plaatsen en religies komen zondvloedverhalen voor. Dit zou kunnen wijzen op een werkelijk historisch gebeuren. Plaatselijke overstromingen zouden de overeenkomsten tussen deze verhalen niet kunnen verklaren. Antropologen wijzen deze opvatting veelal af en benadrukken dat een groot deel van de mensheid nabij waterbronnen als rivieren en kusten leeft, waar zware overstromingen en tsunami's af en toe kunnen voorkomen en in de overlevering voortleven. De geologen William Ryan en Walter C. Pitman, III hebben de hypothese aangedragen dat het snelle vollopen van de Zwarte Zee aan het eind van de laatste ijstijd (c. 7000 vChr) verantwoordelijk zou zijn voor de zondvloedmythen in het Nabije Oosten. Meer recente bevindingen trekken die hypothese weer in twijfel.

  

Voorgestelde zondvloedmechanismen

Versnelde subductie

subductie In de laatste twee decennia draaien de meeste geologische zondvloedhypothesen in de een of andere vorm om "versnelde subductie", de snelle beweging van tectonische platen. Een specifieke vorm van versnelde subductie is de "catastrofale plaattectoniek" van geofysicus John Baumgardner, die wordt ondersteund door het Institute for Creation Research en Answers in Genesis. Hij veronderstelt een versneld onderduiken van vroegere oceanische platen in de  aardmantel. Dat zou veroorzaakt zijn door een onbekend mechanisme dat de druk plaatselijk in de mantel dusdanig deed toenemen dat zijn viscositeit (stroperigheid) dramatisch afnam in vergelijking met hedendaagse waarden. Toen dat eenmaal begonnen was, verspreidden de zinkende platen de lage viscositeit door de hele mantel. Het resultaat was dat de convectiestromen in de mantel op hol sloegen en in catastrofale tectonische bewegingen de continenten over het oppervlak van de aarde sleurden. Toen de vroegere oceanische platen, met een hogere dichtheid dan de mantel, de bodem van de mantel bereikten, ontstond er een nieuw evenwicht. De druk daalde, de viscositeit nam weer toe, de convectiestromen kalmeerden, en de continenten kwamen op hun nieuwe locatie tot stilstand. Voorstanders van deze hypothese wijzen op relatief koele subductieblokken in de mantel, waaruit zij afleiden dat die nog miljoenen jaren in deze hete omgeving verkeren.

De hydroplaattheorie van Walt Brown veronderstelt dat ongeveer de helft van wat nu oceaanwater is, ooit lag opgeslagen in de aardkorst en daar onder gigantische druk uitbrak (de "sluizen van de diepte") en de aarde overstroomde. Andere creationisten veronderstellen ook dat tijdens de zondvloed het aardmagnetisch veld vele malen snel achtereen is omgekeerd.

Bovengenoemde hypothesen worden door de meeste geologen afgewezen. Zij gaan uit van de conventionele theorie van plaattectoniek. Men heeft tegengeworpen dat de immense energie die nodig is om zulke processen teweeg te brengen, de oceanen aan het inkoken zou brengen, wat een wereldwijde zondvloed onmogelijk zou maken. Er is geen enkel plausibel geofysisch mechanisme bekend dat zulke veranderingen kan veroorzaken. Bovendien is het in tegenspraak met aanzienlijk geologisch bewijs (dat weer consistent is met conventionele plaattectoniek), zoals:

  • Het feit dat een aantal vulkanische oceanische eilandketens, zoals de Hawaii eilanden, aanwijzingen vertoont dat de oceaanbodem zich over vulkanische hot spots heeft bewogen. Deze eilanden verschillen sterk in ouderdom (bepaald d.m.v. radiometrische datering en relatieve erosie); dat spreekt de hypothese van catastrofale tektoniek (die snelle beweging en dus gelijke ouderdom impliceert) tegen.

  • Radiometrische datering en sedimentatiesnelheden op de oceaanbodem zijn evenzeer in strijd met de hypothese dat het allemaal bijna tegelijk ontstond.

  • Catastrofale tektoniek laat onvoldoende tijd om de top van guyots (vulkanische bergen in de oceaan) weg te eroderen tot hun karakteristieke platte top.

  • Versnelde subductie biedt geen verklaring voor het soort botsing van continenten zoals van de Indische en Euraziatische platen.

Conventionele plaattektoniek biedt wel een verklaring voor zulke geologische gegevens.

  

Water(damp)koepel

In 1912 leidde de Quaker onderwijzer Isaac Vail (1840–1912) in zijn boek The Earth's Annular System uit de zonnenevel-hypothese af, dat de aarde oorspronkelijk was omringd door een aantal ringen (denk aan Saturnus) of waterkoepels. Hij veronderstelde dat die de een na de ander, met onbekend lange tussenpozen, waren ineengestort in een reeks gigantische cataclysmen en daarbij fossielen begraven hadden. Hij veronderstelde dat de zondvloed de laatste van deze rampen was. Deze hypothese kreeg hernieuwde en nadrukkelijke aandacht in The Genesis Flood in 1961. De meeste creationisten hebben deze theorie achter zich gelaten. Anderen, zoals Dillow en Vardiman, hebben geprobeerd de theorie nieuw leven in te blazen. Kent Hovind propageert de theorie in een gepopulariseerde vorm nog steeds.

  

Kritiek op zondvloedgeologie

Erosie

Hutton's discordantie op Siccar Point UK200px-Hutton_Unconformity_JedburghHet is moeilijk in te zien hoe de zondvloed een geologisch verschijnsel als discordanties (Eng. angular unconformities) kan verklaren. Daarbij zijn sedimentsgesteenten onder een kleine hoek omhoog gestuwd en vervolgens geërodeerd. Daarna zijn er nieuwe lagen afzettingsgesteente horizontaal bovenop gelegd. Deze processen vereisen lange perioden. Dit wees Hutton en andere - vaak gelovige - geologen al lang voor Darwin op de hoge ouderdom van de aarde. Er is ook lange tijd vereist voor het uitslijten van dalen in gebergten van afzettingsgesteente. Het is ook moeilijk om in te zien hoe zondvloedgeologie het voorkomen van hoge en spitse jonge gebergten als de Alpen naast afgesleten oude gebergten als de Jura kan verklaren.
 
  

Geochronologie

Fossiele oesterbank uit het Jura tijdperk. De sporen van organische erosie kunnen onmogelijk zijn ontstaan tijdens een zondvloed.Geochronologie is de wetenschap die de absolute ouderdom van gesteenten, fossielen, en meteorieten onderzoekt m.b.v. een hele reeks technieken. Deze methoden wijzen op een ouderdom van de aarde van tenminste 4.5 miljard jaar. De aardlagen die volgens de zondvloedgeologie minder dan 6000 jaar geleden werden afgezet, blijken in werkelijkheid geleidelijk te zijn gevormd gedurende vele miljoenen jaren.

Deze oesterbank op harde kalksteen uit het Jura tijdperk met zijn vergaande bioerosie zou zich niet hebben kunnen vormen onder de veronderstelde condities van een wereldwijde zondvloed.

 

Paleontologie

Als de zondvloed verantwoordelijk zou zijn voor alle fossielen, moeten al die wezens voor de zondvloed tegelijk op aarde geleefd hebben. De grote aantallen fossielen in bijv. de Karoo formatie in Zuid-Afrika leiden dan tot onmogelijke populatiedichtheden van duizenden grote dieren per ha. Bovendien maken kalksteenlagen en de bijbehorende fossielen duidelijk, dat wat men aanziet voor zondvloedafzettingen, aanwijzingen bevat voor lange onderbrekingen in de afzetting die niet te rijmen zijn met de enorme krachten en korte duur van de zondvloed.

  

Geochemie

CalciteAragonite Voorstanders van zondvloedgeologie hebben ook grote moeite om de afwisseling tussen zeeën met afzettingen van calciet en aragoniet gedurende het Fanerozoïcum te verklaren. Het cyclische patroon van harde kalksteenlagen, calcitische en aragonitische oöiden en kalkhoudende schelpdieren lijkt bepaald door het wisselende tempo van oceanische spreiding en het doorspoelen van zeewater door hydrothermale bronnen die de verhouding tussen Mg en Ca wijzigen.

Op meerdere plaatsen op aarde (zoals in de Golf van Mexico) vinden we honderden meters dikke zoutlagen in de ondergrond, bedekt door jongere pakketten mariene sedimenten. Zulke zoutlagen worden gevormd door het langdurig indampen van zeewater. Zondvloedgeologen stuiten ook hier op een probleem. Hoe kunnen ze zulke zoutlagen verklaren uit de zondvloed, als daarboven ook zeer dikke lagen sediment zijn neergelegd door de zee?

 

Links

  1. Global flood
  2. Biblical chronogenealogies, door Dr. Jonathan Sarfati, CMI Australia
  3. Geology Questions and Answers, op de website van Creation Ministries International (CMI).
  4. Fossils Questions and Answers, op de CMI website.
  5. Animals, a Deluge and Noah's Ark, door Dr. Murray R. Adamthwaite
  6. Noah's Flood covered the whole earth


Wereldwijde zondvloed


Locale overstroming

 

     
Laatst aangepast op dinsdag, 10 mei 2011 08:03