Afdrukken
maandag, 16 november 2009 19:39

Apocriefen


De canon van het Oude Testament

Oorspronkelijke betekenis van de term 'canon'

Het Griekse woord kanon betekent 'riet[1]'. Dit riet werd gebruikt als meetlat of maatstaf. Vandaar de betekenissen: norm, regel, maatstaf, richtsnoer, model, grens. De Griekse en Latijnse kerkvaders (o.a. Clemens van Rome, I:7:2) pasten de term toe op de geloofsregel en apostolische basisleer die in de kerk gebruikelijk was. Deze leer stond bekend als de ‘geloofscanon’. Uiteindelijk werd de term toegepast op de boeken van de Heilige Schrift die in de kerk algemeen erkend werden: ‘de officieel aanvaarde lijst van boeken’. De vroegste gegevens over dit gebruik van het woord vinden we in decreten van de synode van Nicea (ca. 352 AD.  In het NT gebruikt alleen Paulus – spaarzaam – deze term die later zo algemeen bekend werd in de kerk (Gal 6:16;  Fil 3:16; 2 Kor 10:13-16).


Het begrip ‘canon’

Met het bepalen van de historische betekenis van het woord ‘canon’ zijn we er uiteraard nog niet. We geloven dat het Oude Testament regel en maatstaf van het geloof is. Maar waarom is dat zo? Bezit het werkelijk het gezag dat de kerk er vanouds aan heeft toegeschreven? Hoe hebben de boeken van het Oude Testament deze autoriteit verkregen? Wanneer zijn Joden en later Christenen begonnen goddelijk gezag aan hen toe te schrijven?

Een bespreking van het begrip canon/canoniciteit steunt op de veronderstelling van christelijk theïsme (supernaturalisme). Volgens het eigen getuigenis van de Bijbel zijn alle boeken van het Oude Testament ‘door God geademd’ (2 Tim 3:16) – Gods bijzondere, reddende openbaring. God heeft werkelijk gesproken (Hebr.1:1).

  • Het is niet zo, dat God ‘machtige daden gedaan heeft’ die later door mensen zijn geïnterpreteerd – zodat de Bijbel de door de tijd heen wisselende verzameling van menselijke geschriften over God zou zijn. De woorden van 2 Pet 1:19-21 staan daar lijnrecht tegenover.
  • God heeft gesproken om ons de betekenis van verlossende daden als Uittocht en Kruis duidelijk te maken. Waar Gods Woord werd opgeschreven, werd het Heilige Schrift en bezat het absolute autoriteit. Het was canoniek omdat het Gods geïnspireerde Woord was. Het bezit autoriteit; hoe heeft Israël dit gezag erkend?
  • We krijgen dan vanzelf te maken met de vragen hoeveel boeken geïnspireerd zijn, en waar de precieze grenzen liggen. In 2 Tim 3:16 wordt gezegd dat heel de Schrift door God is geademd. Van belang is hier de vraag wat onder ‘heel de Schrift’ wordt verstaan. Hoorden de apocriefe boeken wel of niet bij deze verzameling en maakten alle canonieke boeken hier wel deel van uit? Had men in die dagen al de voor ons bekende 39 oudtestamentische boeken waaraan noch iets toegevoegd, en waarvan noch iets afgehaald mocht worden? Hiermee hangt ook de vraag samen of in nieuwtestamentische tijd de canon wel of niet afgesloten was.
  • T.a.v. de hoofdlijn zijn de woorden van Jezus als de eeuwige Zoon van God (en daarnaast die van de apostelen) beslissend. Hij geloofde boven elke twijfel dat alle OT boeken het Woord van God waren Joh.10:31-36; Lucas 24:44).

De ontvangst van de canon

Hoe kunnen mensen herkennen welke boeken door God geïnspireerd zijn en dus canoniek, en welke niet? Uit de aard der zaak, omdat God Schepper is en de mens schepsel, kan die mens het Woord van God alleen als zodanig herkennen als God hem daartoe in staat stelt. Gods Geest opent de ogen van mensen om de kenmerken van goddelijke oorsprong te herkennen waarvoor zij vroeger blind waren. Het innerlijke getuigenis (testimonium) van de heilige Geest stelt een mens in staat om de Schrift als werkelijk van God afkomstig te herkennen.

Gods volk herkent dus zijn stem (Joh 10:27a). Zodra dus het OT verscheen, werd het in zijn delen en geheel herkend als het Woord van God. Het bewijs daarvan is hoe Israël met de Schriften omging: het  boek der Wet werd naast de ark van het verbond geplaatst, de priesters moesten het geregeld aan het volk voorlezen, de koning moest een kopie van de wet bezitten, en de ballingschap wordt verklaard als straf op het breken en overtreden van de Wet.

Ook de woorden van de profeten werden als gezaghebbend beschouwd. Zij eisten gehoorzaamheid aan hun woorden als Gods eigen woord en kondigden Gods oordeel aan omdat het volk niet alleen de Wet had overtreden, maar ook de woorden van de profeten in de wind had geslagen. Gods openbaring werd dus door Gods volk als gezaghebbend aanvaard zodra het gehoord werd.

Beckwith e.a. wijzen op de volgende aanwijsbare momenten van canonisering van het Oude Testament en de verschijnselen die gepaard gingen met deze canonisering[2]:

  • De wet wordt door Mozes opgeschreven en met grote nadruk aan het volk gegeven. Het is de tekst van Gods verbond met het volk. Daarom moet het elke 7 jaar voorgelezen worden. Tenslotte worden de 10 geboden en het boek Deuteronomium naast de ark van het verbond in de tabernakel gelegd (Ex 25:16, 21; Deut 10:1-5; 31:24-26).
  • Het verslag van Jozua's verbond met het volk werd in het heiligdom te Sichem gelegd (Joz 24:26).
  • Het exemplaar van de ark, dat het wetboek bevatte, werd aan de tempel van Salomo toegevoegd op het moment van de tempelinwijding (1 Kon. 8:6-9; 2 Kron. 5:7-10)
  • Het vinden van het wetboek in de tempel, gedurende de regering van Josia ( 2 Kon 22:8; 23:2, 24; 2 Kron 34:15,30).
  • Deze handelwijze vertoont opmerkelijke parallellen met gebruiken die bestonden bij Grieken, Romeinen, en zelfs bij de Egyptenaren uit het 3e millennium[3]. M.n. het boek Deuteronomium, maar ook andere delen van de Pentateuch vertonen literaire en inhoudelijke overeenkomsten met verbondsteksten tussen een hoge koning en zijn vazal uit die tijd. Zulke teksten mochten niet gewijzigd worden, er mocht niet aan toegevoegd worden (vgl. Deut 4:2; 12:32), en zij werden ook in het heiligdom bewaard en periodiek voorgelezen om vazal en volk te herinneren aan de termen van het verbond. De wet werd dus direct herkend als het gezaghebbende Woord van God, de hoge koning van Israël.[4] Ook de latere episoden (profeten, Josia, Ezra) wijzen op de eerbied voor deze oude woorden en niet op het eigenmachtig opstellen van een canon.
  • Dit alles lijkt erop te wijzen dat de canonisatie verbonden was met de plaatsing van boeken in de tempel. Dit gebruik zet zich voort in de periode van de tweede tempel.
Het tweede boek van de Maccabeeën begint met een brief van de Joden in Jeruzalem aan de Joden in Egypte, waarin staat: "Deze zaken worden ook verhaald in de geschriften en aantekeningen van Nehemia. Hij heeft bijeenvergaderd de boeken van de koningen en profeten, en de boeken van David, en de brieven van de koningen aangaande de heilige geschenken en heeft een bibliotheek aangelegd. Evenzo heeft Judas (de Maccabeeër) al de boeken, die door de oorlog, welke ons aangedaan was, verspreid waren, bijeenvergaderd en ze zijn weer bij ons" (2:13,14).
Hieruit is te concluderen dat de geschriften eerst door Nehemia en later door Judas de Maccabeeër zijn verzameld. Op het moment van het schrijven bevinden deze geschriften zich in Jeruzalem. De tempel staat hier niet vermeld, maar deze was in de eerste eeuw wel als bewaarplaats van boeken gebruikelijk. Dit wordt onderstreept door het verslag van Flavius Josephus dat bij de verwoesting van de tempel in 70 een exemplaar van de wet uit de tempel werd gehaald.
Beckwith wijst nu op Joodse overleveringen die kunnen worden beschouwd als teruggaand op de 1e eeuw na Chr., waaruit blijkt dat de wet, de profeten en de geschriften toebehoorden aan de tempelverzameling[5]. Ook wijst hij er, mede aan de hand van deze tradities, op dat deze verzameling zo'n gezag had gekregen dat het niet meer toegestaan was nieuwe afschriften van deze boeken te brengen of om exemplaren van nieuwe boeken te brengen.
In OT tijden was er geen algemene vergadering of synode die uitdrukkelijk verklaarde dat het OT goddelijk gezag had. Voor christenen is het positieve getuigenis van Jezus beslissend. Tussen Hem en de Farizeeën  bestond geen verschil van mening over de autoriteit van het OT, wel over het gezag van de traditie die zij eraan toevoegden.
Concluderend: Het begrip canoniciteit is zeer oud, en de boeken van de Heilige Schrift zijn vanaf het eerste moment als zodanig herkend. Met de woorden van de 18e eeuwse Duitse theoloog Löscher:

Er bestonden vanaf de dagen van Mozes canonieke boeken, op grond van hun innerlijk licht en waardigheid vanaf hun allereerste verschijnen als goddelijk gewaardeerd.[6]


Alternatieve theorieën over de vorming van de canon

Wie onze theïstische vooronderstellingen niet onderschrijft, kan met het bovenstaande niet uit de voeten en zal een heel andere verklaring geven van het ontstaan van de huidige canon. Wanneer we ons daarin verdiepen, krijgen we tevens een  beter begrip van de implicaties van de naar onze overtuiging juiste visie. In een notendop is het alternatief:

Iedere zin in het Oude Testament was profane literatuur voordat het canonieke heilige schrift werd.[7]

Volgens H.E. Ryle [8] was er al lang een Hebreeuwse literatuur voordat er een Hebreeuwse Canon ontstond. Hij onderscheidt drie fasen: de fase van de literaire voorlopers van de OT boeken, de fase van de redactie van deze boeken tot hun huidige vorm, en tenslotte de fase van selectie van deze boeken voor een plaats in de nationale canon van de Heilige Schrift.

Toen Ezra voor het verzamelde volk de Wet voorlas (Neh 8) werd de Pentateuch als bindend erkend en dus gecanoniseerd. De eerste Hebreeuwse canon bestond dus uit de Pentateuch. Maar al in de dagen van Nehemia bestond er bijzondere interesse voor de geschriften en gezegden van de profeten (waarom blijft onduidelijk). Volgens Ryle werden die gecanoniseerd tussen 300 en 200 v Chr.

De overige geschriften bestonden al wel, maar vormden een soort aanhangsel bij deze tweedelige canon. Waarschijnlijk (Ryle) zijn die gecanoniseerd in de Maccabeeëntijd, op de vleugels van nationalistische gevoelens. Het bevel van Antiochus IV om de Joodse nationale geschriften te vernietigen, verhoogde in de ogen van de Joden terstond de waarde van deze boeken en ze werden ook als gezaghebbend erkend. Ryle plaatst de officiële erkenning van deze canonieke boeken rond 90 AD – het werk van de raad (sanhedrin), het ‘Grote Beth Din’ (huis van oordeel) van Jamnia (Jabne) bij Jaffa. Wellhausen schrijft die laatste fase toe aan de Farizeeën.

Oesterley en Robinson menen dat sommige boeken geleidelijk als heiliger werden beschouwd dan andere en dus een canon gingen vormen.[8] Zij wezen een canonisatie in drie fasen af. De gedachte van een canon werd afgedwongen door de oprukkende Griekse cultuur en literatuur en i.h.b. de verspreiding van (schadelijke, dwalende) Joodse apocriefe boeken. De canon werd ook volgens hen vastgesteld rond 100 AD en betekende dus een metamorfose voor een deel van de Joodse literatuur: eenmaal vastgesteld, kregen de canonieke boeken een nieuwe status.
Bentzen [10] ziet in Nehemia 8-10 een aanduiding van de invoering van het soort wet dat gangbaar was in Joodse kringen in de ballingschap. Maar al in de dagen van Josia (7e eeuw) bestond de gedachte van een normatief boek der Wet en het geloof dat God door zo’n heilig boek zijn wil kon openbaren – een heilige geschreven Wet. Hij ziet zelfs al veel eerder de gedachte dat een godheid een wet geeft – het oude credo van Israël (Deut 26:5b-9).[9] Zulke gedachten vormden echter nog geen canon. Pas in de eeuw na de ballingschap werden de verschillende tradities samengevoegd en ontstond de canon als het oudste deel van de OT canon.

De canon van de Profeten begon toen Jesaja zijn leerlingen opdroeg het woord te bewaren (Jes 8:16) en toen Jeremia Baruch opdroeg zijn waarschuwingen op te schrijven. De ballingschap bevestigde de woorden van de profeten en voor 200 BC was de profetische canon in essentie afgesloten. Het derde deel van de canon bleef nog geruime tijd vaag. Ook Bentzen houdt Jamnia verantwoordelijk voor de definitieve vaststelling van de canon.

Pfeiffer[10] ziet – als variant op de fundamentele liberale theorie van Ryle - de eerste canonisatie wanneer de gevonden boekrol (‘van Deuteronomium’) als het Woord van God wordt beschouwd en in praktijk wordt gebracht. Rond 650 BC werden de oude literaire werken van Israël samen gevoegd tot een groot nationaal epos. Rond 550 BC werd Deuteronomium eraan toegevoegd, en dat gaf aan het gecombineerde werk zijn canonieke status[11]. Rond 400 BC werd er nog het Priesterlijke document aan toegevoegd en werd dit ook canoniek.


Overwegingen bij deze alternatieven

De raad van Jamnia

De stelling dat in de eerste eeuw  na Chr. de canon nog een open karakter zou hebben gehad wordt vooral onderbouwd door het vermeende belang van de synode van Jamnia, die gehouden werd in het jaar 90 na Chr. Het was in eerste instantie Graetz[12] en in tweede instantie de gezaghebbende H.E. Ryle[13] die beweerden dat de canon pas op dat moment tot een afsluiting kwam. Gedurende deze synode zouden de boeken Hooglied en Prediker als canonieke boeken zijn erkend.

Nader onderzoek heeft echter aangetoond dat we geen reden hebben om te spreken over een echte synode van Jamnia. We weten heel weinig over deze raad. Na de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel kreeg rabbi Johanan ben Zakkai toestemming zich in Jamnia te vestigen om de wet te bestuderen en te becommentariëren. Het plaatsje werd een centrum van Schriftstudie en er vonden discussies plaats tussen rabbijnen.

Het is wel duidelijk dat er in de decennia tussen 70 en 100 regelmatig ontmoetingen tussen schriftgeleerden te Jamnia zijn geweest[14]. Maar daaruit[15] kan niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een serieuze discussie over de canoniciteit van deze boeken. Er werd in de discussie juist uitgegaan van hun canoniciteit [16]. Het ging er meer om of de boeken Spreuken, Prediker, Hooglied en Ester wel tot canon gerekend konden worden, dan over de vraag of er boeken aan de canon konden worden toegevoegd. In feite werden hier geen nieuwe formele of bindende beslissingen genomen, maar werd de bestaande traditie alleen verder uitgekristalliseerd en bevestigd.[17] Het valt niet hard te maken dat hier beslissingen werden genomen over de canoniciteit van het hele OT.

De discussie spitst zich toe op de onmiddellijke heiligheid van de letters van deze boeken wanneer zij geschreven staan in synagogale boekrollen waaruit gelezen wordt. Dergelijke discussies over de aard van de Bijbelboeken zetten zich ook voort in de 2e eeuw na Chr. Dit is voldoende reden om de bijeenkomsten in Jamnia niet op te vatten als een synode waarop een zwaarwegende beslissing als die van de afsluiting van de canon werd genomen.

Dat er al eerder een vaste traditie bestond, blijkt o.m. uit Jezus’ woorden in Matt 23:35 en Luc 11:51. Daar spreekt Jezus samenvattend van het vermoorde profeten, van het rechtvaardige bloed van Abel (Gen 4, het eerste boek van de Hebreeuwse canon) tot dat van Zacharia (2 Kron 24, het laatste boek van de canon). Hierbij krijgen we de indruk dat Christus Genesis als het begin en 2 Kronieken als het einde van de Hebreeuwse canon opvat. Hiermee hebben we een niet onbelangrijke aanwijzing voor de gedachte dat in Christus' dagen dezelfde canon bekend was als degene die we nu hebben[18].

Maar: het blijft mogelijk dat binnen deze collectie latere canonieke boeken afwezig waren, of dat tot deze collectie ook boeken hebben behoord die later als apocrief zijn aangeduid.

Ezra en Nehemia

Evenmin valt te staven dat beslissingen over de canoniciteit van (delen van) het OT genomen werden door Ezra en Nehemia of hun tijdgenoten. Ezra wordt meteen (7:6v) opgevoerd als ‘een schriftgeleerde, bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had’. Pfeiffer ontkent dat Nehemia 8-10 iets zeggen over canonisatie. Veeleer wordt de Wet daar als oud en gezaghebbend genoemd (Neh 8:1,8,13; 10:29). Op dit punt breekt hij met de overheersende schriftkritische visie zoals vertegenwoordigd door Ryle.


Verdeling en omvang van de canon

Vanouds werd het Oude Testament ingedeeld in drie gehelen: Torah, Nebi’im, Ketubim. De Ketubim worden ook wel aangeduid als de Hagiographa. De indeling in drie delen wordt vaak genoemd in de Talmud, maar gaat terug tot een veel vroegere periode. Er bestaan gegevens uit de voorchristelijke periode die duidelijk maken dat de canonieke boeken toen reeds onderverdeeld waren in drie verschillende categorieën.

Christus' getuigenis van de driedelige canon

In Luc 24:44 spreekt Jezus van de Wet van Mozes, de profeten en psalmen. Dat laatste i.t.t. de onder Joden gangbare aanduiding Ketubim. Het is onwaarschijnlijk dat Jezus de overige Ketubim buiten beschouwing  zou willen laten; hij citeert er immers geregeld uit (bijv. Dan 4:26 = Matt 4:17; Dan 7:13 = Marc 14:62; Dan 9:27, 11:31, 12:11 = Marc 13:14).

De proloog tot de Wijsheid van Jezus ben Sirach (Ecclesiasticus)

Het vroegste getuigenis van buitenbijbelse schrijvers is de proloog die de kleinzoon van Jezus ben Sirach (ca.130 v Chr.) toevoegde aan het werk ‘Ecclesiasticus’ of ‘Wijsheid’ van zijn grootvader. De vertaler vermeldt dat hij in het 38e jaar van koning Euergetes (170-117 v Chr.) in Egypte aankwam. Zijn grootvader moet dus rond 190-170 v Chr. geschreven hebben – wat wordt ondersteund door het ontbreken van verwijzingen naar de vervolgingen onder Antiochus IV.

In de proloog onderscheidt de vertaler drie groepen boeken met een unieke autoriteit: ‘de wet, de profeten en de rest der boeken’. Deze laatste groep duidt hij ook aan als ‘andere boeken van onze vaderen’ waarin ook zijn grootvader zich verdiepte. Dus ook de Geschriften, de Hagiographa, waren onderdeel van de canon ca.190 v Chr.

  • Door sommigen wordt wel ingebracht dat onder de 'overige geschriften' alleen het begin van de verzameling van de Ketubim wordt verstaan[19]. Van Bruggen verdedigt dat ‘de overige boeken’ gelijk staat met de wet en de profeten[20]. Het lijkt te gaan om een afgegrensde groep geschriften.

Philo (?), De vita Contemplativa 21 en 25 (ca.40 n Chr)

Een klein boekje dat Philo’s naam niet draagt, maar op grond van het taaleigen aan hem wordt toegeschreven. Het handelt over de Joodse school der Therapeutae, die in veel landen maar vooral in Egypte zouden voorkomen. In de verhandeling komt de opsomming voor ‘de Wet en de en de Orakel welke door inspiratie zijn gegeven door de profeten, en de Psalmen, en de andere boeken middels welke kennis en godsvrucht groeien en zich vervolmaken.’ [21]

Josephus, Contra Apionem 1: 37-43 (ca.93-95 n Chr)

Aan het einde van de eerste eeuw schrijft Flavius Josephus een verdedigings-geschrift voor de Joden tegen een zekere Apion. Deze passage maakt melding van 22[24] zeer vereerde boeken die onderling harmonieerden[1] [25] - een collectie bestaande uit Torah (5), Profeten (13) en daarna volgende boeken (4).

Deze boeken zijn geschreven in de periode van Mozes tot Artaxerxes. In de periode na Artaxerxes zijn ook wel boeken overgeleverd, maar deze zijn niet van gelijke waarde geacht[26]. Hij voegt eraan toe dat, hoewel vele eeuwen inmiddels zijn voorbijgegaan, niemand er iets van heeft willen afdoen of toedoen[27]. Opmerkelijk is dat bij Josephus geen sprake is van een discussie over de canoniciteit van bepaalde boeken. Voor zijn besef ligt het besluit over de canon ver achter hem.

4 Ezra

Dit geschrift stamt uit het einde van de eerste eeuw. Het spreekt over de 24 boeken van de canon die Ezra heeft opgeschreven[28]. Uit deze legende blijkt dat de schrijver overtuigd was van de hoge ouderdom van de canon.

Onderliggende principes van de driedeling

  • Het eerste deel bestaat uit de Wet, de boeken van Mozes – de basis van de theocratie.
  • De boeken in het tweede deel worden ‘de profeten’ genoemd. Profeten waren belangrijk, maar stonden onder Mozes. In wezen voeren de profeten zelfs niets nieuws aan; zij voeren het volk steeds weer terug tot de Wet.
  • De schrijvers van de derde afdeling hadden soms wel profetische gaven, maar namen niet in technische zin de positie van een profetie in Israël in – Gods woordvoerder, middelaar tussen God en zijn volk (Deut 18:15-18; Ex.4:16; 7:1).

Omstreden boeken

Enkele boeken waren omstreden – de Antilegomena (Archer, 78): Prediker[29] (te pessimistisch), Esther (God wordt niet genoemd), Hooglied (te erotisch), Ezechiël (zijn tempelvisie contrasteert met 1e en 2e tempel).


 

De apocriefe of deuterocanonieke boeken

De aanduiding apocrief (apokruphon) betekent zoveel als ‘verhuld, verborgen’. Voor de voorstanders wees dit op esoterische kennis voor ingewijden, te diepzinnig om zomaar aan iedereen meegedeeld te worden. Tegenstanders vonden dat ze maar beter verborgen konden blijven vanwege hun dwalende en twijfelachtige karakter. Het zijn:

Zij maken geen deel uit van de Hebreeuwse of Palestijnse canon, maar zijn wel opgenomen in de Septuagint, de Alexandrijnse canon. Sommigen beweren dat de laatste origineel is en pas later is beperkt tot de veel kleiner Palestijnse canon. Hier wordt de visie verdedigd dat de Hebreeuwse canon oud en oorspronkelijk is. Bovendien wijzen verschillende tekenen erop dat de apocriefen wel waren opgenomen in de Alexandrijnse verzameling, maar niet op gelijke voet met de canonieke. Verschillende Afrikaanse kerkvaders noemen hen kerkelijke geschriften.


De pseudepigrapha

Letterlijk: 'onder fictieve naam'. Die aanduiding zou op de meeste apocriefen van toepassing zijn (m.u.v. Ecclesiasticus), maar wordt gewoonlijk gereserveerd voor joodse geschriften uit de periode 200 v Chr – 200 n Chr. Er is geen standaard of traditionele ordening van zulke boeken.

Tot deze groep worden gerekend:

  • De hemelvaart van Jesaja
  • De opname van Mozes
  • Het boek van Henoch
  • Het boek der Jubileeën
  • De Griekse Apocalyps van Baruch
  • Brieven van Aristeas
  • III en IV Maccabeeën
  • Psalmen van Salomo
  • Geheimenissen van Henoch
  • Sibyllijnse orakels
  • De Syrische Apocalyps van Baruch
  • De brief van Baruch
  • Het Testament van de Twaalf Aartsvaders

Waarom werden deze boeken niet als canoniek aanvaard?

Een vraag waar Christenen verschillend over denken, is of de apocriefe of deuterocanonieke boeken in een bijbeluitgave moeten worden opgenomen. Deze boeken zijn door de Rooms-katholieke kerk[30] en grotendeels door de Grieks-orthodoxe kerk aanvaard[31]. In de meeste protestantse kerken en binnen het hedendaagse Jodendom worden ze niet aanvaard als geïnspireerde en dus tot de canon behorende boeken.

In de protestantse traditie heeft men de apocriefen afgewezen vanwege trekken die strijdig zijn met goddelijke inspiratie.

  • Zowel Judith als Tobit bevatten historische, chronologische en geografische fouten. De boeken rechtvaardigen bedrog en maken behoud afhankelijk van verdienstelijke werken. Bijv. het geven van aalmoezen redt van de dood (Tobit 4:10; 12:9; 14:10,11). Judith handelt ‘als Gods instrument’ listig en bedrieglijk (9:10,13).
  • Ecclesiasticus en Wijsheid van Salomo bevatten ‘situatie ethiek’. Wijsheid leert schepping uit pre-existente stof (11:17), Ecclesiasticus dat aalmoezen zonden verzoent (3:30), Baruch dat God de gebeden van doden hoort (3:4).
  • I Maccabeeën bevat weer historische en geografische fouten.
  • In het Nieuwe Testament worden apocriefe boeken nergens als ‘de Schrift’ opgevat. Wel bestaan er vele plaatsen waar er naar wordt verwezen[32], maar nergens wordt zo'n verwijzing ingeleid met de zinsnede "de Schrift zegt"[33].
  1. Noch Flavius Josephus, noch Philo citeren uit deze boeken [34].  Maar een argument uit stilzwijgen is nooit sterk. Ook kan men met behulp van deze redenering verdedigen dat canonieke boeken, die niet in het Nieuwe Testament zijn geciteerd, daarom oorspronkelijk niet in de oudtestamentische canon thuishoorden[35].
  • Een aanwijzing voor het bestaan van een canon waartoe ook de apocriefe boeken behoorden, is tot nu toe niet gevonden. Men kan hiertegen inbrengen dat de Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament) de apocriefen wel heeft opgenomen, en dat ze daarom in bepaalde kringen binnen het Jodendom als canoniek zijn erkend. Maar hiervoor hebben we geen aanwijzingen uit historische bronnen.
  1. In dit verband is het van belang om na te gaan om welke reden de Septuaginta tot stand is gekomen. Volgens de Aristeasbrief kwam deze vertaling tot stand toen de Egyptische vorst Ptolemaeus II aan 70 Joodse geleerden de opdracht gaf om de joodse godsdienstige geschriften te vertalen. Hoewel veel details waarschijnlijk legendarisch zijn, is het toch mogelijk dat het verhaal een historische kern bevat. Als de vertaling van de joodse wet in het Grieks op overheidsinitiatief plaatsvond, is het onwaarschijnlijk dat deze vertaling op Joods initiatief en uit religieuze noodzaak tot stand kwam. Voor de overheid was het niet zo belangrijk of alle in de Septuaginta opgenomen boeken canoniek zijn.
  2. Er blijft dus niet veel historisch bewijs over voor de canoniciteit van de apocriefe boeken. Maar we hebben hiermee nog niet bewezen dat in die periode de canon de vorm bezat die hij nu heeft.

Verschillende argumenten wijzen in de richting dat de canon in ieder geval al in de 2e eeuw v.Chr. was gevormd. Er bestaan geen aanwijzingen dat de op een laat tijdstip geschreven apocriefe boeken rond het begin van de jaartelling canoniek werden. Toch blijft in veel wetenschappelijke literatuur de stelling bestaan dat rond de jaartelling de precieze omvang van de canon nog niet vaststond. Op dit gegeven wil ik nader ingaan.  

Veel wijst erop dat binnen het Jodendom van rond de jaartelling geen sprake was een canon die overeen kwam met de Alexandrijnse. Het is echter de vraag of de vroege kerk, door haar acceptatie van de Septuaginta, daarmee niet de apocriefe boeken al in een vroeg stadium aanvaardde. Er bestaan echter meerdere verklaringen, waaruit blijkt dat in de vroege kerk de Palestijnse canon als gezaghebbend werd overgenomen. Te denken valt bijvoorbeeld aan Melito[37], de bisschop van Sardis, Tertullianus van Afrika, Origenes, Eusebius en vele anderen[38]. Voor zover bekend was er pas onder Augustinus sprake van een canon, waaraan de apocriefen zijn toegevoegd[39].  Er zijn dus duidelijke aanwijzingen dat de kerk tot aan de 4e eeuw v.Chr. de Palestijnse canon bezat. Dit geeft aan dat de apostelen, hoewel ze gebruik maakten van de Septuaginta, hiermee niet de apocriefe boeken uit de Septuaginta erkenden. 
Als de erkenning van wet, profeten en geschriften zó vaststaat, dan is het onwaarschijnlijk dat de canon pas in het jaar 90, dus na de tempelverwoesting, tot stand kwam.

Dat de canon rond de jaartelling niet meer werd uitgebreid, wordt ook bevestigd door de verschillen tussen de Farizeeën, Sadduceeën en Essenen[40]. Rond de 2e eeuw v.Chr. gingen deze groepen uiteen[41]. Het is waarschijnlijk dat de onderlinge rivaliteit tussen deze stromingen voorkwam dat nog boeken aan de canon werden toegevoegd. Dit gegeven harmonieert ook met het feit dat het NT het Oude Testament als een geheel presenteert.

Er lijken dus voldoende aanwijzingen te zijn dat de canon van de Hebreeuwse bijbel de meest oorspronkelijke is. Het is aannemelijk dat dit ook het Oude Testament is, dat Jezus en de apostelen gebruikten. Als de vroege kerk al gebruik maakte van de Septuaginta, dan bestaat er toch geen enkele aanwijzing dat in deze periode zoiets als een Alexandrijnse canon bestond. Dit is voldoende reden om te pleiten voor een Bijbel zonder de apocriefe boeken.

[1] De term komt voort uit kanē zoals kanēs, kanna = oorspr. een van riet geweven bedekking. De betekenis ‘maatstaf’ werd meer bekend door o.m. gebruik in de architectuur.

[2] R.T. Beckwith,  The Canon of the Old Testa­ment. 1985 . Zie ook: Edward J. Young, The Canon of the Old Testament en G. Douglas Young, The Apocrypha in: Revelation and the Bible.e druk, 1969. Ed. Carl F. Henry. Grand Rapids 6

[3] Leipoldt, J. en S. Morenz; Heilige Schriften, 89-91; 165-169.

[4] Zelfs buiten Israël waarborgde de eerbied en vrees voor de goden het bewaren en bewaken van openbarende teksten; aan heilige schriften werd niet toegevoegd of afgedaan. Akkadische orakelteksten blijken betrouwbaarder te zijn dan koninklijke annalen. Milton C. Fischer, The Canon of the Old Testament. In: EBC, I:387

[5] Beckwith, a.w. 80-86. Hij wijst vooral op Kelim 15.6 en M. Yadajim 4.6 Hij wijst erop dat nieuwe exemplaren van de Schrift niet meer binnenge­bracht mochten worden, omdat anders de handen onrein zouden worden. Alleen binnen de tempel was het vernieuwen en herschrij­ven van Bijbelboeken mogelijk. Dit geeft aan dat het introduceren van een boek in de tempel een zeer plechtige zaak was, waar zeer moeilijk toe over te gaan was.

[6] In: W.H. Green, General Introduction to the Old Testament. New York: Scribner, 1898.

[7] R.H. Pfeiffer, Interpreter’s Dictionary of the Bible 1:499.

[8] The Canon of the Old Testament, London 1892

[9] W.O.E. Oesterley & Th. H. Robinson, An Introduction to the Books of the Old Testament, London 1934. p.2

[10] A. Bentzen, Introduction to the Old Testament. Kopenhagen, 1952. p.20-41

[11] Vgl. Credo-theorie van Gerhard von Rad

[12] R.H. Pfeiffer,  Introduction to the Old Testament. New York, 1946.

[13] Dit klinkt wel heel onwaarschijnlijk. Alle aanwijzingen duiden erop dat de Joden hun canonieke geschriften een hele hoge, heilige plaats gaven. Zouden ze die dan samenvoegen met andere, zuiver menselijke geschriften?

[14] H.E. Graetz, Kohelet. Leipzig 1871, Anhang 1, "Der alttestamentliche Kanon und seine Abschluss".

[15] H.E. Ryle, The Canon of the Old Testament. Londen 1892.

[16] J. van. Bruggen, Wie maakte de Bijbel?, Kampen 1986. blz. 26. Deze sluit aan o.a. bij R.C. Newman; The Council of Jamnia and the Old Testament Canon in: Westminster Theologi­cal Journal 38 (1975/6), 319-349. R.T. Beckwith, a.w. 276, zegt van de bijeenkomst in Jamnia: "...the  occasion in question was a session of the elders there".

[17] Mjadajim III 5 d over het feit dat zowel prediker als Hooglied de handen verontreinigden.

[18] J. van. Bruggen, a.w. blz. 27, 114-119.

[19] H.H. Rowley, The Growth of the Old Testament. London, 1950. p.120

[20] R. Beckwith, The Old Testament Canon of the New Testament Church, Londen 1985, blz. 115. Ook Th. C. Vriezen, A.S. van der Woude; Literatuur van Oud-Israël; Wassenaar 1976, blz. 80-81 hanteert deze tekst als een bewijs voor het feit dat de Hebreeuwse Bijbel in de ons bekende vorm rond de jaarteling reeds bestond, maar verdedigt in blz. 85v en 92v, op grond van de synode van Jamnia dat de omvang van de Ketubim nog onzeker was.

[21] O. Eissfeldt, Einleitung in das Alte Testament, Tübingen 1964 blz.768.

[22] J. van . Bruggen, a.w. blz. 24.

[23] Ook leden van de gemeenschap van Qumran bezaten en lazen pseudonieme apocalyptische literatuur (o.a. Henoch, het boek der Jubileeën) maar beschouwden die kennelijk niet als behorend tot de canon.

[24] Deze 22 boeken komen overeen met de verderop vermelde 24 boeken. Waarschijnlijk heeft Josephus het aantal boeken willen laten harmoniëren met het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet. Hiertoe trok hij Ruth bij Richteren en Klaagliederen bij Jeremia.

[25] Flavius Josefus, Contra Apionem, I, 38, 39-40.

[26] Contra Apionem I, 41

[27] Contra Apionem I, 42-43.

[28] 4 Ezra 14:18-48.

[29] De school van Hillel aanvaardde het als canoniek, die van Shammai niet. Kennelijk had de laatste hier de overhand.

[30] De Rooms-katholieke kerk aanvaardde deze boeken op het concilie van Trente (1546) en op het eerste Vaticaanse concilie (1870). De in Rooms-katholieke kring gebruikelijke term "deuterocanonieke boeken" werd in 1566 voor het eerst gebruikt door Sixtus van Siena. cf. R.J. Foster, "The Formation and History of the Canon" in B. Orchard, A Catholic Commentary on holy Scripture, New York 1953, par. 13b.

[31] Hiervan was niet in alle gevallen sprake. Patriarch Cyrillus Lucianus verdedigde in een belijdenis van 1629 de onderscheiding zoals deze door de reformatoren was aangebracht. Hij werd echter verworpen door zijn opvolgers en door de synode van Constantinopel en Jeruzalem in 1672. cf. A. Forte­sque, The Orthodox Eastern Church, Londen 1929, blz. 264 vv.

[32] Nestle-Aland, Novum Testamentum Graece Ed. 26, Stuttgart 1979, blz. 769-775.

[33] R. Pache, Inspiratie en het gezag van de Bijbel, Amsterdam 1977, blz. 90.

[34] Pache, a.w. blz. 161.

[35] W.S. LaSor, , D.A. Hubbard, F.W. Bush; Old Testament Survey, Grand Rapids 1987, blz. 23.

[36] J.W. Doeve, Het Palestijnse jodendom tussen 500 voor en 400 na Chr.  I, Van de ballingschap tot Agrippa. Utrecht 1973 p.173 v.

[37] Hij stelde de oudste Christelijke lijst van OT boeken op en reisde daarvoor naar Judea. Zijn lijst is bewaard in Eusebius’ Kerkgeschiedenis, IV, 26. Hij slaat Esther bewust over.

[38] R.L. Harris, Canon of the Old Testament, in: The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible (ed.M.C. Tenney e.a.) Grand Rapids 1975, blz. 727-729.

[39] R.L.Harris,  a.w., blz. 730.

[40] Beckwith, a.w. blz. 86-91.

[41] Pas in deze periode zouden de Sadduceeën zich hebben verbonden met de Samaritanen, en hun canon hebben overgenomen.



Laatst aangepast op maandag, 01 november 2010 13:47