Afdrukken
woensdag, 18 november 2009 20:18

Inspiratie

Bijbelbeschouwing en bijbelgebruik tussen modernisme en postmodernisme


Sleutelvragen

inspiration Inspiratie, onfeilbaarheid en gezag van de Bijbel zijn geen populaire gespreksonderwerpen meer. Ze horen bij het "grote verhaal" van het christelijk geloof en dat is al een tijdje uit de gratie. Maar onder de oppervlakte spelen opvattingen over deze drie wel degelijk mee en maken menige bijbelstudie of kringgesprek verwarrend of onzuiver. Het mag dan impopulair zijn, we moeten tenminste voor onszelf een helder plaatje hebben van de vooronderstellingen van gesprekspartners en bijbeluitleggers.

 

 

Hoe moeten we ‘inspiratie’ omschrijven in het licht van wat de Bijbel zelf leert en aan verschijnselen vertoont? En op welke manier mogen die twee onze omschrijving bepalen? Dezelfde vragen gelden voor onze omschrijving van de ‘onfeilbaarheid’ van de Bijbel. Gaan we uit van absolute of "beperkte onfeilbaarheid" (limited inerrancy)?

In hoeverre kunnen we historische, literaire, vorm-, traditie- en redactiekritiek (en hun vooronderstellingen) rijmen met de inspiratie en onfeilbaarheid van de Bijbel? Wat houden deze vormen van kritiek in en hoe zijn ze ontstaan? Van welke vooronderstellingen gaat elk uit? Kunnen  ze losgemaakt worden van hun vooronderstellingen en gehanteerd worden door bijbeluitleggers met een hoge opvatting van de Schrift? Hoe hanteren we in een postmoderne tijd de Bijbel als gezagsbron?


Inspiratie

pinksteren01 Inspiratie kunnen we omschrijven als de bovennatuurlijke invloed van de Heilige Geest op de bijbelschrijvers die hun geschriften tot een nauwgezet verslag van de openbaring maakte of die erin resulteerde dat wat zij schreven werkelijk het Woord van God was.

Openbaring is de communicatie van goddelijke waarheid van God naar mens; inspiratie heeft meer te maken met het doorgeven van die waarheid van de eerste ontvanger naar andere personen, in dezelfde tijd of later.


Het feit van de inspiratie

Door de hele Bijbel heen ontmoeten we de claim of vooronderstelling van zijn goddelijke oorsprong, de gelijkstelling met het spreken van God. Dit wordt vaak verworpen als zijnde een cirkelredenering. Dat zou alleen zo zijn als we het getuigenis van de Bijbel als beslissend zouden nemen, m.a.w. zouden beginnen met de vooronderstelling van inspiratie en dan die vooronderstelling gebruiken als garantie van de waarheid van de claims van de Bijbel op inspiratie. Maar het is geen cirkelredenering een hypothese over de aard van de Bijbel te baseren op de bijbelse claims zelf (zoals een beklaagde in een rechtbank ook zelf mag getuigen), terwijl andere gegevens worden betrokken bij de evaluatie van de hypothese.

Op verschillende manieren getuigt de Bijbel van zijn goddelijke oorsprong.

  • De visie van de schrijvers van het Nieuwe Testament op de Schriften van hun dagen. Die komt tot uitdrukking in twee klassieke Schriftplaatsen.
    • In 2 Tim 3:16 schrijft Paulus pasa graphe theopneustos kai ophelimos pros didaskalian. De tekst is wat ambivalent door het ontbreken van het werkwoord esti. Gebruikt de schrijver theopneustos in predicatieve of in attributieve zin? Bedoelt hij "alle Schrift is door God geademd en is nuttig om .." (zo Statenvertaling, Chrysostomos) of "alle door God geademde Schrift is ook nuttig om .." (NBG-1950, Origenes)? Beide vertalingen zijn mogelijk, maar de eerste lijkt de beste papieren te hebben. Het Griekse theopneustos is afgeleid van theos (God) en pnein (ademen). Er staat dus letterlijk: "Elk schriftwoord is God-geademd." Dat geeft de indruk dat het door God is voortgebracht, net zoals God de levensadem in de mens blies (Gen 2:7). De nadruk ligt dus niet op het proces van begeestering van mensen, maar op de Schrift als het product van God zelf.
    • In 2 Pet 1:19-21 bevestigt Petrus dat de Schriften niet van menselijke oorsprong zijn. Hij verzekert zijn lezers dat de verkondiging van "de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus" niet berust op "vernuftig gevonden verdichtsels"; de apostelen zijn ooggetuigen geweest. Maar er is nog een beter getuigenis dan dat: "En wij hebben het profetisch woord als een vaster fundament..". Met de ‘profetie der Schrift’ wordt allereerst het hele Oude Testament bedoeld; het Nieuwe Testament bestond nog niet. Maar in 2 Pet 3:15-16 stelt de schrijver de geschriften van Paulus op één lijn met die van het Oude Testament. "Geen profetie is van eigen uitlegging" d.w.z. het resultaat van menselijke overweging. Mensen spraken "van Godswege". De Bijbel is Gods Woord, maar God heeft mensen gebruikt om dit Woord op schrift te stellen. Hoe? "..door de Heilige Geest gedreven..." Het woord ‘gedreven’ (pheromenoi) betekent ‘gedragen’ en dat is veel sterker dan ‘geleid, gecontroleerd door de Geest’. De Geest draagt, de mens wordt gedragen; de kracht is die van de drager en het doel dat bereikt wordt, is het doel van de drager. Wat deze mensen opschreven, waren dus niet hun eigen woorden, maar die van de Geest.
  • De prediking van de vroege kerk vertoont een soortgelijk begrip van het Oude Testament. De woorden van de profeten worden aangenomen als het Woord van God (Hand 1:16; 3:18, 21; 4:25).
  • Het getuigenis van de profeten zelf. Zij leidden hun spreken in met "Zo spreekt de HERE".
  • Het getuigenis van Jezus zelf t.a.v. het Oude Testament. Hij bestreed de Farizeeën op veel punten, maar nooit op hun visie t.a.v. de Schrift. In discussies beriep Hij zich herhaaldelijk op de Schrift, Hij beriep zich op haar autoriteit en blijvende karakter (Matt 5:17-18; 19:4vv; Joh 10:34-36).

Het is duidelijk dat de bijbelschrijvers unaniem getuigen dat de Bijbel van goddelijke oorsprong is. Het zelfgetuigenis aangaande de goddelijke inspiratie staat. De vraag is nu wat het betekent. Wat is de aard van deze inspiratie? Hoever gaat deze inspiratie? En daar beginnen de verschillen.



 

Verschillende theorieën van inspiratie

Caravaggio's De inspiratie van St Mattheus

  • De intuïtie theorie maakt van inspiratie voornamelijk een bijzondere mate van inzicht. Het is een bijzondere begaafdheid, een blijvend en natuurlijk talent. De bijbelschrijvers waren religieuze genieën. De Bijbel is niet anders dan grote godsdienstige literatuur die de geestelijke  ervaringen van het joodse volk weerspiegelt.
  • De verlichtingstheorie erkent een invloed van de Heilige Geest op de bijbelschrijvers, maar alleen als een verhoging van hun normale vermogens. Er is geen bijzondere communicatie van waarheid of leiding bij het schrijven; alleen een verhoogde gevoeligheid met betrekking tot geestelijke zaken. Inspiratie verschilt niet in aard, maar alleen in mate van het normale werk van de Geest in alle gelovigen.
  • De dynamische theorie benadrukt de combinatie van goddelijke en menselijke elementen. De Geest leidt de schrijver naar de gedachten en concepten die hij moet hebben, en geeft zijn persoonlijkheid de ruimte in de keuze van woorden en uitdrukkingen.
  • De verbale theorie beklemtoont dat de invloed van de Geest zich uitstrekt tot de keuze van de woorden om de boodschap over te dragen. Ieder woord is het exacte woord dat God op dat punt wil. Men benadrukt meestal echter dat het hier niet gaat om dictaat.
  • De dictaat theorie stelt dat God de Bijbel werkelijk aan de schrijvers dicteerde. Passages die van een dictaat spreken worden uitgebreid tot de hele Bijbel. Hoewel Calvijn de term ‘dictaat’ gebruikte, deed hij dat in een andere zin dan deze theorie.

De methode om een theorie van inspiratie te formuleren

Men kan verschillende uitgangspunten kiezen (die dienen wel consistent te zijn met hoe de systematische theologie verder te werk gaat):

  • belangrijkste nadruk op het expliciete onderwijs van de bijbelschrijvers en wat blijkt uit hun gebruik van de Schrift (Warfield en de Princeton school) - de deductieve benadering;
  • uitgaan van de verschijnselen (phenomena) in de Bijbel, de verschillende vormen van verslaglegging in de Bijbel analyseren, en parallelle verslagen vergelijken (Dewey Beegle) – de inductieve benadering.

De basis voor een theorie van inspiratie dient het didactische materiaal uit de Bijbel te zijn. De verschijnselen van de Bijbel vervullen een ondersteunende functie in het bepalen van de betekenis van het didactisch materiaal. Het onderwijs geeft de formele aard van de leerstelling, de phenomena helpen de inhoud verder in te vullen. Feinberg noemt dit de abductieve of retroductieve methode. Deze methode is strikt deductief noch inductief. De theoloog formuleert een conceptueel model door een geïnformeerd en creatief denkproces waarin de te verklaren gegevens een rol spelen, en toetst dit model vervolgens weer aan de gegevens (de verschijnselen). Inductie en deductie spelen beide een rol in de verbeelding van de wetenschapper.


De reikwijdte van inspiratie

Hoever reikt de inspiratie van de Bijbel? Is de hele Bijbel geïnspireerd of alleen bepaalde gedeelten? 2 Tim 3:16 pasa graphe theopneustos lijkt een snelle oplossing aan te bieden, maar de grondtekst bevat zoals gezegd een zekere dubbelzinnigheid door het ontbreken van het werkwoord esti. De vertaling "alle Schrift is door God geademd en is nuttig om .." lijkt om genoemde redenen de voorkeur te verdienen boven "alle door God geademde Schrift is ook nuttig om ..".

Verdere hulp vinden we in 2 Pet 1:19-21 en Joh 10:34-35. Op het eerste gezicht lijken die alleen te refereren aan profetie en de wet, en dus niet te gaan over alle categorieën van bijbelse geschriften. Maar Luc 24:25-27 stelt "Mozes en de profeten" gelijk aan "alle geschriften" en Luc 24:44-45 stelt "de wet van Mozes en de profeten en de psalmen" gelijk aan "de geschriften". Als Jezus in Joh 10:34 refereert aan de wet, citeert hij echter Ps 82:6; in Joh 15:25 doet Hij hetzelfde met Ps 35:19. In Matt 13:35 refereert Hij aan wat gezegd is door de profeet en citeert dan Ps 78:2. Ook Paulus refereert aan verschillende typen bijbelgedeelten als "wet" (Jes 28:11-12 in 1 Kor 14:21; Psalmen en Jesaja in Rom 3:19; Gen 16:15 en 21:9 in Gal 4:21-22). Petrus refereert zodanig aan het "profetisch woord" (2 Pet 1:19) en "alle profetie der Schrift" dat het de hele verzameling van algemeen aanvaarde geschriften van zijn tijd suggereert. Het lijkt dat "wet" en "profetie" vaak gebruikt werden om het geheel van de Hebreeuwse geschriften aan te duiden.

Kan dit begrip van inspiratie worden uitgebreid tot de boeken van het Nieuwe Testament? Er zijn aanwijzingen dat men geloofde dat het werk van de nieuwtestamentische schrijvers van dezelfde aard was als dat van de oudtestamentische schrijvers. In 2 Pet 3:16 worden de geschriften van Paulus op één lijn gesteld met "de overige geschriften" (waarschijnlijk de algemeen aanvaarde oudtestamentische geschriften). Johannes beschouwde zijn geschriften als Gods woord (1 Joh 4:6; Open 22:18-19). Paulus schreef dat het evangelie dat hij de Thessalonicenzen had gebracht van de Heilige Geest kwam (1 Thes 1:5) en door hen aanvaard was als wat het werkelijk was: het woord van God (2:13).

Hoewel de vraag naar de omvang van de canon van het Nieuwe Testament open blijft, is het duidelijk dat de nieuwtestamentische schrijvers 'de Schriften' begrepen als een geheel dat zich uitstrekte van de profetische periode tot hun eigen tijd.

Een andere vraag is of deze inspiratie een specifiek ingrijpen van de Heilige Geest op bepaalde momenten was, of dat zij permanent op de bijbelschrijvers rustte vanwege hun bijzondere positie en aanstelling. Sommigen beschouwen inspiratie inderdaad als iets dat hoort bij het ambt van profeet of apostel als zodanig.

Het lijkt er echter op dat de kracht om te profeteren niet constant was. In Ezechiël worden de visioenen nauwgezet gedateerd. Hetzelfde geldt voor woorden van God aan Johannes de Doper, Elizabeth en Zacharias. Verder werd er geprofeteerd door sommigen die geen profeet waren (Bileam, Num 22:28-30; Saul, 1 Sam 19:23-24). Ook andere geestesgaven lijken zich met onderbrekingen te uiten.

Tenslotte waren er momenten waarop apostelen leken af te dwalen van Gods wil (Petrus, Gal 2:11-21; Paulus, Hand 15:38-41). De tegenwerping dat het hier niet gaat om onderwijs, is niet steekhoudend aangezien onderwijzen evenzeer door modelleren als door proclameren plaatsvindt.

We moeten derhalve concluderen dat de inspiratie niet permanent verbonden was aan het ambt van profeet of apostel. Er kan sprake zijn geweest van inspiratie op andere momenten dan het precieze schrijven van wat nu Bijbel is, maar het is zeker dat niet alle geschreven en gesproken uitingen van de bijbelschrijvers geïnspireerd zijn geweest.

 


 

De intensiteit van de inspiratie

Was inspiratie alleen een algemene invloed, waarbij bijvoorbeeld bepaalde concepten werden gesuggereerd, of was zij zo grondig dat zelfs de woordkeuze Gods bedoeling weerspiegelt?

We vinden soms aanwijzingen dat de nieuwtestamentische schrijvers in hun gebruik van het Oude Testament elk woord of leesteken en elke lettergreep belangrijk vonden. In Joh 10:34-35 baseerde Jezus een redenering op een meervoudsvorm in Ps 82:6; in Matt 22:32 op de tijd van een werkwoord in Ex 3:6 (‘Ik ben’) en in Matt 22:43-44 op een bezittelijke suffix (‘mijn Here’). In het laatste geval voegt Jezus eraan toe dat David tot het spreken van deze woorden was geïnspireerd door de Geest. In Gal 3:16 baseert Paulus een hele redenering op het verschil tussen een enkelvoud en een meervoud in Gen 12:7. Aangezien de nieuwtestamentische schrijvers deze details in het Oude Testament gezaghebbend vonden (d.i. als wat God zelf zei), gingen zij er blijkbaar vanuit dat de keuze van de woorden en zelfs van hun precieze vorm was geleid door de Heilige Geest.

Bovendien schrijft het Nieuwe Testament uitdrukkelijke woorden van God toe aan mensen, en woorden van mensen aan God. Zo noemt Jezus in Matt 19:4-5 een commentaar op de schepping van man en vrouw (Gen 2:24) een uitspraak van God. Soortgelijke voorbeelden zijn Hand 4:25 (Ps 2:1-2), Hand 13:34 (Ps 16:10), Hebr 1:6-7 (Deut 32:43 LXX, vgl. Ps 97:7 en Ps 104:4). Bovendien leidde Jezus zijn aanhalingen uit het Oude Testament vaak in met de woorden "er staat geschreven". Het was gezaghebbend; wat de Bijbel zei, zei God. Daaruit kunnen we op zichzelf natuurlijk niet een woordelijke inspiratie afleiden, maar het laat wel zien dat Hij de geschriften van het Oude Testament gelijk stelde met het woord van God.

Op basis van het didactische materiaal moeten we concluderen tot een intense, woordelijke inspiratie van de Bijbel. Het wordt echter anders als we de verschijnselen van de Bijbel in ogenschouw nemen. Zo baseert Dewey Beegle zijn inspiratie theorie voornamelijk op de phenomena. Hij constateert dat de bijbel chronologische problemen bevat die zich uiterst moeilijk laten harmoniseren (o.a. de regering van Pekah, de chronologie van Abraham), en dat het Nieuwe Testament ook niet-canonieke boeken citeert (o.a. 1 Henoch 1:9 in Judas 14, en de Opname van Mozes in Judas 9). Dat laatste vormt een probleem voor de redenering dat aanhaling in het Nieuwe Testament impliceert dat de schrijver geloofde in de inspiratie en dus de autoriteit van het geciteerde. Volgens dezelfde logica zouden dan ook deze apocriefe boeken geïnspireerd en gezaghebbend zijn. Beegle concludeert dat aanhaling in het Nieuwe Testament onvoldoende bewijs van inspiratie en gezaghebbendheid is.

Onder deze fenomenen valt ook het synoptische probleem. Juist in de verschijnselen zit de 'pijn' voor een theorie van volledige en woordelijke inspiratie (en van onfeilbaarheid), getuige bijvoorbeeld Harry Boer in The Bible & Higher Criticism.


Een model van inspiratie

In overeenstemming met zijn uitgangspunt (didactisch materiaal vóór, maar vervolgens in interpretatie getoetst aan phenomena) concludeert Erickson dat inspiratie zich uitstrekt tot de keuze van woorden. De bestudering van de verschijnselen moet echter helpen bepalen wat die keuze precies behelst.

De regenstelling tussen inspiratie van gedachten versus die van woorden is kunstmatig. De twee zijn niet van elkaar los te maken; bepaalde gedachten kunnen alleen door bepaalde woorden worden uitgedrukt. Erickson oppert dat de Geest de gedachten van de bijbelschrijver nauwgezet kan leiden. Hij schept de gedachte en stimuleert het begrip van de schrijver en leidt hem daardoor uiteindelijk tot de keuze van een bepaald woord. Terwijl God met precisie de keuze van woorden om gedachten tot uitdrukking te brengen leidt, kan de gedachte zelf algemeen dan wel specifiek zijn (bijv. visueel kenmerk-kleur-rood-scharlaken).

Woordelijke inspiratie is niet noodzakelijk een goddelijk dictaat. Een theorie van inspiratie dient ook de vorming en voorbereiding van de bijbelschrijvers in haar beschouwing te betrekken. Met andere woorden, inspiratie heeft niet alleen betrekking op het eigenlijke moment van schrijven. Afkomst, achtergrond en ervaring vormden hen tot persoonlijkheden met een wereldbeeld dat gebruikt werd in het schrijven van de Bijbel. Het woordgebruik van de Bijbel is dus niet een exclusief menselijke factor, maar het resultaat van Gods voorbereidende werk in de schrijvers. Op het moment van schrijven leidt God de gedachten van de schrijvers die Hij zo heeft voorbereid zodanig dat ze schrijven wat Hij bedoelt, zonder fouten en zonder iets toe te voegen of weg te laten. Toch blijven ze volkomen menselijk en getuigt de bijbeltekst van hun verschillende persoonlijkheden en achtergronden.

Dat geldt dan bovendien voor mensen die God lange tijd gekend hebben, zich hebben ondergedompeld in eerder geopenbaarde waarheid en een leven van toewijding hebben gecultiveerd. In zo’n situatie is het heel goed denkbaar dat een mens bij niet meer dan een suggestie van een nieuwe denkrichting "de gedachten van God denkt". Zelfs mensen kunnen zich zo de gedachten en stijl van een ander eigen maken.

Sommige bijbelgedeelten, zoals die waar God zegt: "Schrijf ..", lijken gedicteerd te zijn. Maar dat is niet het gewone of normatieve patroon. Ze zijn ook niet méér geïnspireerd (m.a.w. er is geen correlatie tussen genre en inspiratie; profetie en apocalyptiek niet meer dan narratieve of poëtisch literatuur). Niet een ‘mechanische’ maar een ‘organische’ inspiratie is de norm.

 

Laatst aangepast op dinsdag, 09 november 2010 14:56